ECLI:NL:RBDHA:2026:14049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/680773 / FA RK 25-1382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing week-op week-af zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank Den Haag behandelde op 28 april 2026 een verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling, hoofdverblijfplaats, beheer van paspoorten en kinderalimentatie voor drie minderjarige kinderen. De ouders hadden een affectieve relatie en gezamenlijk ouderlijk gezag. Na beëindiging van hun relatie was een week-op week-af regeling van kracht.

De moeder verzocht om bevestiging van deze regeling met hoofdverblijfplaats bij haar, beheer van paspoorten, en kinderalimentatie van €340 per kind per maand, geïndexeerd naar €362. De vader verzocht om een aangepaste zorgregeling met meer tijd bij hem en stelde de kinderalimentatie op nihil of een lager bedrag.

De rechtbank oordeelde dat de bestaande week-op week-af regeling het beste aansluit bij het belang van de kinderen, mede omdat de kinderen dicht bij elkaar wonen en de regeling goed functioneert. De hoofdverblijfplaats werd bij de moeder vastgesteld. De ouders kwamen overeen dat de moeder de paspoorten beheert en de vader de ID-kaarten. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €205 per kind per maand, ingaand op de datum van de beschikking, waarbij rekening werd gehouden met de draagkracht van beide ouders en de behoefte van de kinderen.

De verdeling van vakanties en feestdagen werd grotendeels volgens het voorstel van de vader vastgesteld, met enkele aanpassingen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de week-op week-af zorgregeling toe met hoofdverblijfplaats bij de moeder en stelt kinderalimentatie vast op €205 per kind per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1382
Zaaknummer: C/09/680773
Datum beschikking: 28 april 2026

Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

Beschikking op het op ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A.M. Jorna te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het bericht van 6 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het bericht van 7 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 10 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- de berichten van 13 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 16 maart 2026 van de zijde van de vader.
De minderjarige kinderen van partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [de minderjarige 1] heeft schriftelijk haar mening gegeven. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben met de kinderrechter gesproken.
Op 17 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de vader heeft bezwaar gemaakt tegen de stukken die op 13 maart 2026 van de zijde van de moeder zijn ingediend, omdat zij deze stukken vanwege de late indiening daarvan niet heeft kunnen bespreken met de vader. Met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor heeft de rechtbank de vader de gelegenheid gegeven om uiterlijk twee weken na de zitting schriftelijk te reageren op deze stukken. De rechtbank heeft de reactie van de vader ontvangen op 30 maart 2026.

Feiten

- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens de relatie hebben zij samengewoond en hebben zij een samenlevingscontract gesloten.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] ( [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 3] ( [de minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] erkend.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast, ingevolge aantekeningen in het gezagsregister van respectievelijk 30 augustus 2012, 20 januari 2014 en 6 februari 2017.
- De vader heeft de samenlevingsovereenkomst bij aangetekende brief van 17 augustus 2024 opgezegd.
- In het kader van het kort geding dat bij deze rechtbank diende op 13 december 2024, zijn de ouders – voor zover hier van belang – overeengekomen dat tot 1 maart 2025 een week op week af regeling zal gelden, waarbij de kinderen van vrijdag tot vrijdag afwisselend bij de ouders zijn.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank, na wijziging van haar verzoek – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en op haar adres in de BRP zijn ingeschreven;
te bepalen dat de moeder de paspoorten van de kinderen in haar beheer heeft en de vader te veroordelen tot afgifte van die paspoorten aan de moeder nadat hij deze voor vakanties e.d. in bezit heeft gehad;
te bepalen dat de kinderen met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, afwisselend een aaneengesloten week vanaf vrijdag uit school (oneven week) t/m komende vrijdag onder schooltijd (even week) bij de moeder en respectievelijk bij de vader zijn;
de door de moeder voorgestelde verdeling van vakanties en feestdagen vast te stellen;
de vader te veroordelen om, primair met ingang van 4 augustus 2024, subsidiair met ingang van 12 december 2024, tot de datum waarop de moeder de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt, aan de moeder bij vooruitbetaling een kinderalimentatie te betalen van € 340,- per maand per kind met vaststelling dat deze kinderalimentatie ingevolge de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2025
€ 362,- per kind per maand bedraagt, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum;
de vader te veroordelen om met ingang van de datum waarop de moeder de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt, aan de moeder bij vooruitbetaling een kinderalimentatie te betalen van € 361,- per kind per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum.
De vader voert verweer tegen een gedeelte van de verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt (na wijziging) zelfstandig en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen in de oneven weken van donderdagmiddag 14.30 uur tot maandagochtend 8.30 uur bij de moeder verblijven en de rest van de tijd bij de vader;
subsidiair: een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen in de even weken bij de moeder verblijven en in de oneven weken bij de vader, met het wisselmoment op vrijdag om 14.30 uur;
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben indien de zorgregeling zal worden gewijzigd conform het primaire verzoek van de vader;
te bepalen dat de paspoorten van de kinderen in beheer bij de moeder zullen zijn en de ID-bewijzen van de kinderen in beheer bij de vader zullen zijn;
een regeling te bepalen voor de vakantie- en feestdagen conform productie 8 van het verweerschrift;
primair: te bepalen dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;
uitsluitend subsidiair: een bedrag aan kinderalimentatie te bepalen, inhoudende dat de vader € 216,- per maand aan de moeder overmaakt als bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen als zij bij de moeder zijn, zijnde € 72,- per maand per kind, waarbij wordt opgenomen dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening neemt.
De moeder voert verweer tegen een deel van de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken (inclusief vakanties en feestdagen)
De moeder geeft aan dat de ouders in het afgelopen jaar een week-op week-af regeling hebben gehanteerd, met het wisselmoment op vrijdag uit school. Volgens haar verloopt deze regeling goed en vinden de kinderen deze regeling ook prettig. Ook geeft de moeder aan dat zij de zorgen van de vader over de opvoedsituatie bij haar thuis niet herkent en dat deze ook niet worden gezien door de betrokken hulpverleners. Daarom verzoekt de moeder de rechtbank deze regeling vast te stellen, ook omdat deze regeling aansluit bij het wettelijk uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap.
Ook de vader geeft aan dat de regeling de afgelopen periode op zichzelf goed is verlopen, met uitzondering van de wisselmomenten in de vakanties. Omdat er geen tijd is vastgelegd voor het wisselmoment en er in de vakanties geen school is, is onduidelijk wanneer het wisselmoment in de vakanties is en dat heeft tot onenigheid tussen de ouders geleid, aldus de vader. De vader wenst de huidige regeling echter aan te passen. Hij stelt dat [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij graag meer tijd bij de vader willen doorbrengen. De vader geeft aan dat [de minderjarige 1] niet heeft aangegeven dat zij een andere regeling wil, maar de vader acht het wel in haar belang dat zij meer tijd bij hem doorbrengt omdat de moeder volgens hem niet de ondersteunende en rustige omgeving biedt die [de minderjarige 1] nodig heeft. Hij meent dat hij de kinderen wel een stabiele en rustige omgeving kan bieden.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de regeling die de ouders al een jaar hanteren, doorgaans goed verloopt en dat deze week-op week-af regeling zorgt voor een evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de ouders. Ook is er volgens de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat de ouders, of een van hen, niet voldoende in staat zijn om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben als het gaat om hun verzorging en opvoeding. In het gesprek met de kinderrechter hebben [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] aangegeven dat zij meer tijd bij de vader zouden willen doorbrengen, terwijl [de minderjarige 1] aangeeft dat zij de huidige regeling prima vindt. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat [de minderjarige 2] met name minder tijd bij zijn moeder wil zijn omdat hij nog altijd veel last heeft van de ruzies die er in het verleden waren tussen hem en de moeder. De rechtbank acht het van groot belang dat de ouders, samen met [de minderjarige 2] , de handen ineen slaan en dat zij hun best gaan doen om hem hiermee te helpen, bijvoorbeeld door het inschakelen van gespecialiseerde hulpverlening, zodat [de minderjarige 2] kan verwerken wat hij allemaal heeft meegemaakt en waar hij nog altijd heel veel last van ondervindt. De rechtbank ziet de oplossing hiervoor echter niet in het structureel verminderen van de tijd die [de minderjarige 2] bij de moeder doorbrengt en de zorgregeling te wijzigen op de wijze die [de minderjarige 2] of de vader verzoekt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat als zij de wensen van de kinderen zou volgen, dat tot gevolg heeft dat voor alle kinderen een andere regeling geldt en zij in feite voor een deel uit elkaar worden gehaald. De rechtbank acht dat niet in hun belang. De rechtbank neemt in haar overwegingen ook mee dat de ouders dicht bij elkaar wonen en dat de kinderen (zelfstandig) met de fiets van de ene naar de andere ouder kunnen gaan. Daarbij geven de ouders niet de indruk dat zij eraan in de weg zullen gaan staan als de kinderen zouden aangeven dat zij op enig moment naar de andere ouder willen gaan om daar bijvoorbeeld de middag door te brengen. Het voorgaande maakt dat de rechtbank de week-op week-af regeling die de ouders al geruime tijd uitvoeren, onder de huidige omstandigheden het meest in het belang van de kinderen acht. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en het verzoek van de vader afwijzen.
Vakanties en feestdagen
Uit de stukken blijkt dat de ouders het met elkaar eens zijn over de verdeling van de kerstvakantie en de kerstdagen. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van die vakanties dienovereenkomstig beslissen. Over de overige vakanties en feestdagen zijn de ouders het niet eens geworden, waardoor de verdeling daarvan nog ter beoordeling voorligt aan de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat beide ouders een verdeling bij helfte voorstellen, maar dat zij de vakanties op een andere manier opdelen.
Omwille van praktische redenen, zoals de mogelijkheid om een gehele week met de kinderen op vakantie te gaan, en met het oog op het beperken van de wisselmomenten zal de rechtbank grotendeels het voorstel van de vader ten aanzien van de vakanties volgen, met uitzondering van de meivakantie. Ten aanzien van de meivakantie zal de rechtbank bepalen dat de kinderen de eerste week van de meivakantie bij de ene ouder zullen zijn en de tweede week bij de andere ouder, zoals de moeder voorstelt.
Ten aanzien van de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank voor wat betreft Oud & Nieuw aansluiten bij het voorstel van de vader. Voor wat betreft Pasen en Pinksteren zal de rechtbank bepalen dat voor deze dagen de reguliere zorgregeling geldt. Dat zorgt voor een gelijke verdeling en beperkt de wisselmomenten.
De ouders zijn het erover eens dat de feestdagen duren van 12.00 uur op de feestdag tot 12.00 uur de volgende dag. De ouder bij wie de kinderen de feestdag hebben doorgebracht, zal de kinderen (indien volgens de zorgregeling nodig) de volgende dag naar school of naar de andere ouder brengen in het geval de kinderen volgens de zorgregeling bij de andere ouder zullen zijn.
De rechtbank zal de verdeling van de vakanties en feestdagen, inclusief wisselmomenten, opnemen in het dictum.
Hoofdverblijfplaats en inschrijving Basisregistratie Persoonsgegevens
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat zijn verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen moet worden gezien als een voorwaardelijk verzoek, dat alleen geldt indien zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling wordt toegewezen. Als het laatstgenoemde verzoek niet wordt toegewezen, is de vader ermee akkoord dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder wordt bepaald.
Omdat de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van de zorgregeling zal afwijzen, zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats toewijzen en bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben.
De moeder verzoekt tevens te bepalen dat de kinderen bij haar worden ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). Nu de kinderen inmiddels op het adres van de moeder geregistreerd staan in de BRP, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek en zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
Beheer paspoorten en ID-kaarten
De ouders hebben overeenstemming bereikt over het beheer van de paspoorten en de ID-kaarten van de kinderen. Zij zijn het erover eens dat de paspoorten van de kinderen in beheer zullen zijn bij de moeder en dat de vader de ID-kaarten van de kinderen zal beheren. Gelet op deze overeenstemming zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Op de zitting heeft de moeder haar verzoek om de vader de veroordelen tot afgifte van de paspoorten nadat hij deze heeft gebruikt, ingetrokken. Daarom zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum en verblijfsoverstijgende kosten
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn. Volgens vaste jurisprudentie heeft ook als uitgangspunt te gelden dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid bij het vaststellen van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen.
Anders dan de moeder stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een ingangsdatum in het verleden te bepalen. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de vader na het uiteengaan van de ouders een zeer aanzienlijk deel van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor zijn rekening heeft genomen. Daarnaast is gebleken dat de vader vanaf 1 maart 2025 maandelijks een bedrag van € 500,- aan kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.620,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.806,- per maand. Daarom zal de rechtbank van deze behoefte uitgaan.
Draagkracht moeder
Tussen partijen is in geschil of aan de moeder een verdiencapaciteit moet worden toegerekend.
De moeder stelt dat zij voorheen 6 uur per week werkte, maar dat zij inmiddels 15 uur per week werkzaam is in loondienst van [bedrijfsnaam] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat zij haar shifts daar kan indelen hoe het haar uitkomt en dat zij minder werkt in de weken dat de kinderen bij haar zijn, en meer werkt in de weken dat de kinderen bij de vader zijn. Ook heeft de moeder gesteld dat zij meer uren wil gaan werken, maar dat de echtscheiding veel van haar heeft gevergd en dat de huidige situatie nog niet stabiel is en haar veel energie kost, ook vanwege de onderhavige procedure. Daarom wil de moeder zich focussen op de kinderen en eerst kijken hoe het met haar gaat, voordat zij meer gaat werken.
De vader stelt zich primair op het standpunt dat de moeder een HBO opleiding heeft gevolgd, dat zij ingenieur is en dat er geen reden is waarom zij niet in staat zou zijn om 32 uur per week werk te doen dat aansluit bij haar opleidingsniveau. Daarbij stelt de vader dat de moeder haar stelling dat zij niet meer uren kan werken, niet heeft onderbouwd. Volgens de vader is de moeder in staat om een modaal inkomen te genereren van € 42.000,- per jaar en dient met die verdiencapaciteit rekening te worden gehouden, dan wel dient het huidige inkomen van de moeder uit te worden gecorrigeerd naar een 32-urige werkweek bij dezelfde werkgever. Subsidiair stelt de vader dat de moeder zwart werkt en dat er rekening moet worden gehouden met haar werkelijke inkomen, dat hoger is dan het salaris dat op haar loonstroken staat.
De rechtbank overweegt dat het begrijpelijk is dat de echtscheiding, de spanningen en het gebrek aan stabiliteit die daarmee verband houden in de periode direct volgend op de echtscheiding invloed hebben gehad op het vermogen van de moeder om meer te gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder echter onvoldoende onderbouwd dat deze situatie nog altijd voortduurt en tot gevolg heeft dat de moeder haar verdiencapaciteit ook op dit moment niet kan benutten. Naar de rechtbank begrijpt heeft de moeder coaches in de arm genomen om haar te helpen bij het omgaan met en het verwerken van de spanningen en de huidige situatie. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de beslissingen die zij in deze beschikking neemt over de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de kinderalimentatie zullen bijdragen aan het creëren van stabiliteit en dat de spanningen die de moeder als gevolg van de onzekerheid over bijvoorbeeld de zorgregeling ervaart, zullen afnemen. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat van de moeder kan worden verwacht dat zij haar verdiencapaciteit benut, aangezien ook zij een financiële verplichting jegens de kinderen heeft. Daarom zal de rechtbank rekening houden met een verdiencapaciteit.
Gelet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de relatie en de loopbaan van de moeder in de afgelopen jaren acht de rechtbank het redelijk om te rekenen met een schatting van het inkomen dat de moeder zou verdienen als zij 32 uur per week zou werken in haar huidige functie. Uitgaande van het stamsalaris dat blijkt uit op de door de moeder overgelegde salarisstroken van 2026 en de pensioenbijdrage van 3%, zal de rechtbank een inkomen van € 2.570,- per maand tot uitgangspunt nemen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat de moeder sinds april 2025 het kindgebonden budget ontvangt. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.758,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.758 – (1.127 + 1.365)] = € 886,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 133.873,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave van 2025.
Tussen partijen is in geschil of de bonus die de man heeft ontvangen moet worden betrokken bij zijn inkomen. Uit de overgelegde stukken volgt dat de vader in juni 2024 een bonus heeft ontvangen van € 11.703,38 en dat hij ook in juni 2025 een bonus heeft ontvangen van € 11.245,64. De rechtbank gaat ervan uit dat de bonus onderdeel uitmaakt van het jaarsalaris dat is vermeld op de jaaropgave van 2025. Gelet op het gegeven dat de vader twee jaar achter elkaar een bonus van vergelijkbare hoogte heeft ontvangen, zal de rechtbank de bonus aanmerken als inkomen en meenemen bij de berekening van de draagkracht van de vader.
Verder zal de rechtbank, in navolging van de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, het jaarinkomen van de vader corrigeren met de bijtelling van de auto. De rechtbank houdt rekening met een bedrag aan bijtelling van € 940,41 per maand, te weten afgerond € 11.285,- per jaar, zoals blijkt uit de door de vader overgelegde loonspecificaties over de maanden december 2025 en januari en februari 2026. Uit het voorgaande volgt dat aan de zijde van de vader een jaarinkomen van € 122.588,- resteert.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 5.998,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [5.998 – (1.799 + 1.365)] = € 1.984,- per maand.
De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de vader geen rekening met de studieschuld die door de vader als last wordt opgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat dit een niet-vermijdbare en niet-verwijtbare schuld betreft, waar bij het berekenen van zijn draagkracht rekening mee moet worden gehouden.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.870,- per maand (€ 1.984 + € 886). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.984 / 2.870 x 1.806 = € 1.248,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 886 / 2.870 x 1.806 =
€ 558,-
samen € 1.806,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] komt een gedeelte van € 1.248,- per maand, wat neerkomt op € 416,- per maand per kind, voor rekening van de vader. Een gedeelte van
€ 558,- per maand, wat neerkomt op € 186,- per maand per kind, komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 633,- per maand (35% van € 1.806,-).
Verblijfsoverstijgende kosten
De vader verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen zal betalen, omdat hij dit in de afgelopen periode ook heeft gedaan en wil blijven doen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader dat zijn financiële situatie stabieler is en dat hij verkwistend gedrag aan de zijde van de moeder vermoedt. De vader stelt zich op het standpunt dat de bepaling dat hij de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen zal bepalen, primair tot gevolg dient te hebben dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld en subsidiair dat de verblijfsoverstijgende kosten in mindering dienen te worden gebracht op het door hem te betalen bedrag aan kinderalimentatie.
De moeder voert gemotiveerd verweer tegen deze verzoeken. Uit haar verzoek tot het vaststellen van een kinderalimentatie leidt de rechtbank af dat zij kinderalimentatie wenst te ontvangen om zelf de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te gaan voldoen.
De rechtbank stelt voorop dat er bij het berekenen van de kinderalimentatie in beginsel van uit wordt gegaan dat de ouder bij wie het kind staat ingeschreven de zogenoemde verblijfsoverstijgende kosten voldoet. Onder de verblijfsoverstijgende kosten vallen in ieder geval het schoolgeld, de kosten voor de noodzakelijke bijlessen en andere schoolkosten, kleding en schoenen, sportclubs, sportbenodigdheden, hobby’s, kampen, kosten van orthodontie, fietsen, computers, telefoons, paspoorten en niet-vergoede ziektekosten.
De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken, althans acht het verzoek daartoe van de vader onvoldoende onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de stukken die zijn overgelegd wel naar voren komt dat de vader tot voor kort ten minste een zeer aanzienlijk deel van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor zijn rekening heeft genomen. Het is aan de ouders om in onderling overleg te bezien of het voor hen financieel voordeliger is als de vader deze kosten zal blijven voldoen. Het staat hen vrij om afspraken te maken over de verblijfsoverstijgende kosten die afwijken van deze beschikking, maar op dit moment zijn de ouders het daar niet over eens. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vader kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen, zodat de moeder door het ontvangen daarvan in de gelegenheid wordt gesteld om de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen daaruit – alsook uit het kindgebonden budget en de kinderbijslag die zij ontvangt – te voldoen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de vader met ingang van heden een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] aan de moeder moet betalen van in totaal € 615,- per maand. Dat is
€ 205,- per kind.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , en;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] ;
bij ieder van de ouders zullen zijn op basis van een week-op week-af regeling, waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot de vrijdag daarop uit school bij de ene ouder verblijven en de week daarna van vrijdag uit school tot de vrijdag daarop naar school bij de andere ouder. Als er op vrijdag geen school is, wordt om 12.00 uur tussen de ouders gewisseld;
bepaalt dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedurende de vakanties en feestdagen volgens onderstaand schema bij de ouders zullen verblijven:
Even jaren
Oneven jaren
Voorjaarsvakantie
bij de moeder
bij de vader
Meivakantie
week 1 bij de moeder
week 2 bij de vader
week 1 bij de vader
week 2 bij de moeder
Lesvrije week in juni
bij de vader
bij de moeder
Zomervakantie
week 1 en 2 bij de moeder
week 4 en 5 bij de vader
week 3 en 6 volgens de reguliere zorgregeling
week 1 en 2 bij de vader
week 4 en 5 bij de moeder
week 3 en 6 volgens de reguliere zorgregeling
Kerstvakantie
bij de moeder
bij de vader
Eerste kerstdag
bij de moeder
bij de vader
Tweede kerstdag
bij de vader
bij de moeder
Oud en nieuw
bij de vader (oudejaarsdag valt in een even jaar)
bij de moeder (oudejaarsdag valt in een oneven jaar)
Verjaardagen en overige feestdagen
volgens de reguliere zorgregeling
waarbij geldt dat feestdagen aanvangen om 12.00 uur op de feestdag en eindigen om 12.00 uur op de dag na de feestdag, en;
waarbij geldt dat vakanties aanvangen op de vrijdag voor de vakantie uit school, of om 12.00 uur indien er geen school is, en eindigen op de (maan)dag dat de kinderen weer naar school gaan,
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] de hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
*
bepaalt dat de paspoorten van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] door de moeder zullen worden beheerd en dat de ID-kaarten van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] door de vader zullen worden beheerd;
*
alimentatie voor de [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] op € 205,- per maand per kind, vanaf de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.