ECLI:NL:RBDHA:2026:1405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24/21375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.31 Vreemdelingenbesluit 2000Wet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning arbeid in loondienst wegens niet voldoen aan voorwaarden

Eiser, een persoon met de Bengalese nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst die geldig was tot 1 juli 2024. Hij diende in juni 2024 een aanvraag in voor verlenging van deze vergunning. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van een advies van het UWV, dat vier afwijzingsgronden uit de Wet arbeid vreemdelingen toepaste, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, en dat het ontstane verblijfsgat tussen 1 juli 2024 en 8 april 2025 onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit voldoende had gemotiveerd en dat eiser geen nadere gronden had ingediend ondanks de geboden mogelijkheid. Het beroep om het verblijfsgat te bestrijden werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat dit verband hield met een latere aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken op 15 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/21375

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 9 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en S. Chowdhury als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Bengalese nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning in Nederland voor het doel ‘Arbeid in loondienst’ tot 1 juli 2024. Eiser heeft in juni 2024 een aanvraag ingediend om de vergunning voor zijn verblijf te verlengen.
2.1.
Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat uit het advies van het UWV blijkt dat vier afwijzingsgronden uit de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing zijn en daardoor niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven, omdat eiser zijn stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd -nadat verweerder de mogelijkheid had geboden om nadere gronden in te dienen- niet heeft onderbouwd.
2.2.
Eiser heeft op 13 januari 2025 opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Per brief van 26 maart 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld van plan te zijn om de verblijfvergunning te verlenen per 8 april 2025. Hierdoor is er een verblijfsgat ontstaan van 1 juli 2024 tot 8 april 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het ontstane verblijfsgat van 1 juli 2024 tot 8 april 2025 is niet rechtmatig en het primaire besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit heeft mogen concluderen dat de enkele stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, niet kan worden gevolgd. Verweerder heeft daartoe mogen betrekken dat in het primaire besluit gemotiveerd is aangegeven waarom de aanvraag is afgewezen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder aan eiser het dossier heeft doorgestuurd en een termijn heeft geboden van twee weken voor het indienen van nadere gronden. Eiser heeft geen nadere gronden ingediend.
6. Voor zover eiser met het beroep heeft beoogd om het ontstane verblijfsgat te bestrijden, overweegt de rechtbank dat dit in de huidige procedure niet ter beoordeling voor ligt. De ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning van 8 april 2025 -en het daaruit ontstane verblijfsgat- hangt immers samen met de aanvraag van 13 januari 2025.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.