Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/683913 / FA RK 25-2960 en C/09/690848 / FA RK 25-6572
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:102 BWArt. 1:157 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling huwelijksgemeenschap, huurrecht en partneralimentatie

Partijen zijn gehuwd in 2019 en hebben gezamenlijk een beperkte gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toegekend vanwege zijn medische situatie. De vrouw moet de woning verlaten per 1 mei 2026.

De rechtbank heeft de partneralimentatie vastgesteld op €758 bruto per maand, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De behoefte van de vrouw is berekend op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen en haar verdiencapaciteit, terwijl de draagkracht van de man is vastgesteld op basis van zijn pensioen en AOW.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen omvat onder meer de toedeling van een scooter aan de vrouw, de inboedel verdeeld in onderling overleg, en de bankrekeningen die per peildatum gelijk worden verdeeld. De vrouw moet tevens de helft van de belastingschuld over 2023 aan de man voldoen. Het verzoek tot voortzetting van de leaseovereenkomst is ingetrokken.

De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen en verklaart de beschikking, behalve de echtscheiding, het huurrecht en de partneralimentatie, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, huurrecht aan man toegekend, partneralimentatie vastgesteld op €758 per maand en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-2960 (echtscheiding) en FA RK 25-6572 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/683913 (echtscheiding) en C/09/690848 (verdeling)
Datum beschikking: 28 april 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.L. Neuteboom-Van Asselt te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 24 april 2025 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het op 2 mei 2025 door de advocaat van de man ingediende betekeningsexploot;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 2 september 2025 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 18 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 20 maart 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 23 maart 2026 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 24 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 30 maart 2026 van de advocaat van de man.
Op 30 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De man is niet persoonlijk op de zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat.
Op de zitting heeft de advocaat van de man pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] .
- Deze rechtbank heeft op 30 juni 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover hier van belang:
- is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 30 juni 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 261,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de verzoeken van beide partijen tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] afgewezen.
- Bij beschikking van 13 april 2026 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van 30 juni 2025 van deze rechtbank –:
- bepaald dat de man vanaf 1 mei 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , en mitsdien bevolen dat de vrouw die woning vanaf 1 mei 2026 dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- het meer of anders verzochte ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning afgewezen;
- de beslissing over de voorlopige partneralimentatie aangehouden tot 28 april 2026.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen als volgt te verdelen:
toedelen aan de vrouw:
- de scooter;
- de inboedelgoederen van haar keuze (circa de helft);
- haar bankrekening(en), in ieder geval bij de Rabobank met nummer [bankrekening 1] ;
toedelen aan de man:
- de inboedelgoederen die overblijven na keuze van de vrouw (circa de helft);
- zijn bankrekening bij de Rabobank met nummer [bankrekening 2] ;
- te bepalen dat de schuld van partijen aan de Belasting door de man zal worden gedragen, waarbij de vrouw vanwege de interne draagplicht van partijen voor deze schuld een bedrag van € 1.537,50 aan de man verschuldigd is;
- te bepalen dat de vrouw een vergoeding aan de man verschuldigd is ter hoogte van € 3.000,- vanwege de overname door de man na echtscheiding van het leasecontract van partijen c.q. voortzetting daarvan voor zijn rekening en risico;
- uit hoofde van de verdeling van de beperkte gemeenschap van partijen – zoals onder punt 2 van het petitum omschreven –: dat de man de belastingschuld zal dragen en dat de man de leaseovereenkomst zal voortzetten, de vrouw te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikkingsdatum € 4.836,12 aan de man te betalen;
- te bepalen dat de man huurder zal zijn van de woning aan de [adres] ;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat de vrouw na de echtscheiding de huurder zal zijn van de echtelijke woning gelegen te [adres] ;
- de man te veroordelen om maandelijks aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van
levensonderhoud te betalen van bruto € 787,-, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- de verdeling van de (beperkte) gemeenschap van goederen vast te stellen als
beschreven in het lichaam van het verweerschrift.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man – in zoverre met wijziging van zijn eerdere verzoek – verzocht:
- uit hoofde van de verdeling van de beperkte gemeenschap van partijen – zoals
onder punt 2 van het petitum omschreven –: dat de man de belastingschuld zal dragen en dat de man de leaseovereenkomst zal voortzetten, de vrouw te veroordelen binnen 14 dagen na de beschikkingsdatum € 1.836,12 aan de man te betalen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verzocht voor de duur van de procedure de volgende voorlopige voorzieningen vast te stellen:
- de voorlopige door de man te betalen partneralimentatie vanaf december 2025 vast te stellen op nihil;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de echtscheiding kan worden uitgesproken.
Toedeling huurrecht echtelijke woning
De rechtbank overweegt als volgt. In de beschikking van 13 april 2026 is bepaald dat de man vanaf 1 mei 2026 het uitsluitend gebruik krijgt van de woning en de vrouw de woning vanaf 1 mei 2026 dient te verlaten. Zoals overwogen in die beschikking is bij de man recent neuskanker en slokdarmkanker geconstateerd. Op 27 maart 2026 heeft de man een neusamputatie moeten ondergaan, en dat hij hierna nog zal worden behandeld voor slokdarmkanker. In deze toestand is rust in de thuissituatie voor de man noodzakelijk.
Tegelijkertijd is het voor de vrouw ook moeilijk om in de huidige gespannen woningmarkt een woning te vinden, omdat zij op dit moment geen inkomen uit arbeid heeft. Het evidente belang van de man om in de echtelijke woning te kunnen herstellen geeft echter voor de rechtbank ook in deze bodemprocedure de doorslag. De rechtbank is van oordeel dat van de man niet gevergd kan worden dat hij, terwijl hij herstellende is van een ingrijpende operatie en nog behandelingen in verband met slokdarmkanker moet ondergaan op zoek moet gaan naar een andere woning. Om die reden zal de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toedelen en het verzoek van de vrouw ten aanzien van het huurrecht afwijzen.
Partneralimentatie
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2024-II, nu partijen in de zomer van 2024 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 50.540,- bruto per jaar, te weten een pensioen van het ABP van € 37.204,- en een AOW-uitkering van € 13.336,-, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgaves over 2024. Hierop moet de maandelijkse (fiscaal aftrekbare) pensioenbetaling van de man aan zijn ex-vrouw van € 957,07 in mindering worden gebracht, wat resulteert in een inkomen van € 39.055,-. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.777,- per maand in 2024. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vrouw in het kader van de vaststelling van haar behoefte, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw de echtelijke woning eind februari 2025 heeft verlaten en zij vanaf augustus 2024 niet meer heeft gewerkt. Daarbij heeft de man aangegeven dat alle lasten werden betaald uit het inkomen van de man en het spaargeld van partijen. De man heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw daarom alleen berekend moet worden op basis van het inkomen van de man in de maanden januari en februari 2025. De vrouw heeft gesteld dat haar behoefte moet worden vastgesteld aan de hand van de inkomensgegevens van beide partijen over het jaar 2024.
Nu de rechtbank zoals hiervoor is overwogen bij de behoefte aansluit bij periode 2024-II, zal de rechtbank ook rekening houden met de inkomsten van de vrouw in 2024. Uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2024 blijkt dat de vrouw van januari tot en met augustus (acht maanden) € 11.725,- bruto heeft verdiend bij Pathé. Gemiddeld komt dit neer op € 1.466,- bruto per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.445,- per maand in 2024. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank berekent het NBGI op € 4.222,- (€ 2.777,- + € 1.445,-). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de Hofnorm € 2.533,- netto per maand (60% van € 4.222,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 2.822,-.
Aanvullende behoefte en behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.
De man heeft betwist dat de vrouw behoeftig is. De man heeft gesteld dat de vrouw door haar eigen handelen op staande voet is ontslagen bij Pathé, waardoor zij geen recht heeft op een WW-uitkering. De vrouw heeft er dan ook zelf voor gezorgd dat zij aanspraak moet maken op een bijstandsuitkering. Bovendien heeft de man aangevoerd dat de vrouw een zodanige verdiencapaciteit heeft dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man is van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht om ongeschoold in ieder geval ten minste het minimumloon van € 2.246,40 bruto per maand te kunnen genereren. Van de vrouw kan daarom worden verwacht dat zij in haar eigen behoefte voorziet.
De vrouw heeft aangegeven dat de voorlopige partneralimentatie vanaf 11 juli 2025 haar enige inkomen was. De man heeft na 25 november 2025 geen partneralimentatie meer aan de vrouw betaald. De vrouw heeft het afgelopen jaar bij verschillende werkgevers gesolliciteerd, maar ondervindt daarbij moeilijkheden vanwege haar leeftijd. De vrouw had per 1 december 2025 een 0-urencontract bij Primera, maar dit is in februari 2026 geëindigd. Sindsdien heeft de vrouw geen inkomen. De vrouw heeft dan ook behoefte aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om ten minste een inkomen te verwerven ter hoogte van het inkomen dat zij in 2024 bij Pathé heeft verdiend. Dat dienstverband is destijds geëindigd omdat de vrouw voor langere tijd naar Griekenland is vertrokken. Niet is gebleken van enige omstandigheid waardoor de vrouw nu niet meer zou kunnen werken. Haar leeftijd is op zichzelf geen belemmering. In november 2025 is zij aan de slag gegaan bij Primera en om onduidelijke redenen is dit weer geëindigd. De rechtbank acht de vrouw echter niet in staat om een hoger inkomen te verdienen dan haar inkomen destijds bij Pathé (zonder indexering). De rechtbank gaat daarom uit van een verdiencapaciteit van € 1.466,- bruto per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.430,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Dit NBI komt in mindering op de behoefte van de vrouw, zodat haar aanvullende behoefte € 1.392,- netto per maand bedraagt (€ 2.822,- minus
€ 1.430,-).
Draagkracht man
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn ABP pensioen van € 37.889,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave over 2025. Ook zal de man na de echtscheiding een AOW-uitkering ontvangen als alleenstaande ter hoogte van € 19.651,- bruto per jaar. De rechtbank zal dus uitgaan van een inkomen van € 57.540,-. Hierop moet de maandelijkse (fiscaal aftrekbare) pensioenbetaling van de man aan zijn ex-vrouw van € 957,07 in mindering worden gebracht, wat resulteert in een inkomen van € 46.055,-. De stelling van de vrouw dat de man de afgelopen zes maanden geen betalingen aan zijn ex-vrouw heeft gedaan uit hoofde van pensioenverevening, doet niet af aan het feit dat de man deze betalingsverplichting heeft. De rechtbank zal dus voorbijgaan aan dit verweer van de vrouw. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.
Kosten leaseauto
De man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten voor zijn leaseauto van (afgerond) € 562,- per maand. Hiertoe heeft de man aangevoerd dat hij gemiddeld 15.000 kilometer per jaar met de auto rijdt. Hij maakt dus veel gebruik van de auto, ook voor ziekenhuisbezoeken. De vrouw heeft gesteld dat geen rekening gehouden moet worden met deze kosten. De vrouw heeft aangevoerd dat de leaseauto voor de man niet noodzakelijk is en hij ook op andere wijze, bijvoorbeeld met de taxi of het openbaar vervoer, naar het ziekenhuis kan reizen.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten voor de leaseauto. Dit zijn immers consumptieve kosten, nu de man het genot van de auto heeft. Uit de stukken en op de zitting is niet gebleken dat sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last van de man, waarmee bij het bepalen van de draagkracht rekening moet worden gehouden.
Schuld bij de Belastingdienst
De man heeft aangevoerd dat hij een schuld heeft bij de Belastingdienst en hier € 226,- per maand op aflost. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met deze betalingsverplichting van de man geen rekening moet worden gehouden.
De rechtbank overweegt dat op de zitting is gebleken dat de schuld volledig is afgelost. De man heeft gesteld dat hij de schuld heeft afgelost via een schuld die hij is aangegaan bij zijn dochter. De man heeft aangegeven dat hij met zijn dochter heeft afgesproken dat de man € 300,- per maand aflost zodra hij daar de financiële ruimte voor heeft. Nu de vrouw dit heeft betwist en de man zijn stelling dat hij daadwerkelijk aflost op een schuld aan zijn dochter niet nader heeft onderbouwd, zal de rechtbank hier geen rekening mee houden.
Bijdrage dochter van de man
De man heeft aangegeven dat hij van zijn dochter voor haar inwoning met haar beide kinderen een vergoeding van € 150,- per maand ontvangt. Gebleken is dat de man deze vergoeding inmiddels niet meer krijgt. De vrouw heeft dat niet weersproken. Gelet hierop zal de rechtbank niet uitgaan van een bijdrage van de dochter van de man.
Aanvaardbaarheidstoets
De man heeft een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. De rechtbank overweegt dat volgens het rapport rekening kan worden gehouden met extra lasten door het draagkrachtloos inkomen van de onderhoudsplichtige met de extra lasten te verhogen. Voorwaarde is wel dat de schulden niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem aangevoerde lasten niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Reeds daarom wordt aan de aanvaardbaarheidstoets niet toegekomen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.152,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 505,- per maand, te weten
60% x [€ 3.152,- -/- (0,3 x € 3.152,- + € 1.365,-)]. Gebruteerd komt dit neer op € 758,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 1.344,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de vrouw overhoudt. Aangezien dit bedrag hoger ligt dan de draagkracht van de man, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 758,- bruto per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie, waaronder het verzoek van de man tot nihilstelling van de voorlopige partneralimentatie, zal de rechtbank afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 17 april 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 17 april 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
een scooter met kenteken [kenteken] ;
de inboedel;
de bankrekeningen;
1. bankrekening [bankrekening 2] op naam van de man;
2. bankrekening [bankrekening 1] op naam van de vrouw;
Daarnaast heeft de man gesteld dat hij nog vorderingen op de vrouw heeft uit hoofde van:
een aanslag inkomstenbelasting over 2023;
een leaseovereenkomst voor de auto van het merk Toyota Corolla Cross.
Ad a. de scooter
Partijen zijn het erover eens dat de scooter aan de vrouw kan worden toegedeeld voor een waarde van € 750,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad b. de inboedel
Partijen zijn het erover eens geworden dat de inboedel in onderling overleg bij helfte tussen hen wordt verdeeld. De rechtbank zal aldus beslissen. De man heeft aangegeven dat de vrouw aan hem kan doorgeven welke goederen zij wenst te ontvangen en de man deze spullen aan de vrouw ter hand zal stellen. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de man dit zal nakomen.
Ad c. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen tussen partijen per peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad d. de aanslag inkomstenbelasting 2023
De man heeft aangegeven dat hij een aanslag inkomstenbelasting van € 3.524,- heeft ontvangen over het jaar 2023. Hiervoor heeft de man een betalingsregeling getroffen van € 226,- per maand. De man heeft aangegeven dat de schuld op 5 maart 2025 nog € 3.075,- bedroeg. De man heeft gesteld dat de vrouw € 1.537,50 aan hem dient te vergoeden.
De vrouw is het ermee dat de helft van deze schuld op de peildatum voor haar rekening komt.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde productie 20 is gebleken dat de schuld op 5 maart 2025 € 3.075,- bedroeg en de man maandelijks € 226,- heeft afgelost. De schuld bedroeg op de peildatum dus € 2.849,- (€ 3.075,- - € 226,-). Op de zitting heeft de man aangegeven dat de schuld inmiddels volledig is afgelost. Gelet hierop en nu partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de helft van het saldo op 17 april 2025, te weten € 1.424,50, aan de man moet voldoen.
Ad e. de leaseovereenkomst
De man heeft zijn verzoek ten aanzien van de leaseovereenkomst ingetrokken. De rechtbank hoeft op dit verzoek daarom niet meer te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] ;
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] ;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 758,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de scooter met kenteken [kenteken] voor een waarde van € 750,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de man;
- de helft van de inboedel, in onderling overleg met de man te verdelen;
- de bankrekening eindigend op 281 op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (17 april 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
aan de man worden toegedeeld:
- de helft van de inboedel, in onderling overleg met de vrouw te verdelen;
- de bankrekening eindigend op 195 op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (17 april 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
bepaalt dat de vrouw aan de man ten aanzien van de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2023 een bedrag van € 1.424,50 moet voldoen en dat de man in de onderlinge verhouding voor deze schuld draagplichtig is;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de echtscheiding, het huurrecht en de partneralimentatie – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.