ECLI:NL:RBDHA:2026:1407
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tot bevriezing van cryptoplatformaccounts wegens vermeende fraude
Eiser stelt slachtoffer te zijn van (crypto)fraude waarbij hij activa ter beschikking stelde aan een derde om te beleggen op cryptoplatformen van gedaagden, die gevestigd zijn in het buitenland. Na een ex parte tussenvonnis verzocht eiser om een voorlopige voorziening om de betreffende accounts te bevriezen en gedaagden te verbieden de gebruikers vooraf te informeren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat hij bevoegd is op grond van artikel 6e Rv omdat het schadebrengende feit zich mede in Nederland kan voordoen en dat Nederlands recht van toepassing is. Gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe onder voorwaarden, waaronder dat eiser binnen zes weken een bodemprocedure moet starten tegen de gebruikers. De accounts moeten binnen zeven dagen na betekening worden bevroren, met een dwangsom van €100.000 bij niet-naleving. Daarnaast moeten gedaagden binnen zeven dagen opgave doen van de getroffen activa en een transactieoverzicht verstrekken, met een dwangsom van €5.000 per dag tot maximaal €50.000.
De voorziening verliest haar werking indien eiser geen bodemprocedure start, een afwijzend vonnis wordt gewezen, uitvoering is gegeven aan een toewijzend vonnis, of de bodemprocedure anders eindigt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de bevriezing van de cryptoplatformaccounts en legt dwangsommen op bij niet-naleving, onder voorwaarden voor het instellen van een bodemprocedure.