ECLI:NL:RBDHA:2026:1407

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/09/696615 / KG ZA 25-1274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6e Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot bevriezing van cryptoplatformaccounts wegens vermeende fraude

Eiser stelt slachtoffer te zijn van (crypto)fraude waarbij hij activa ter beschikking stelde aan een derde om te beleggen op cryptoplatformen van gedaagden, die gevestigd zijn in het buitenland. Na een ex parte tussenvonnis verzocht eiser om een voorlopige voorziening om de betreffende accounts te bevriezen en gedaagden te verbieden de gebruikers vooraf te informeren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hij bevoegd is op grond van artikel 6e Rv omdat het schadebrengende feit zich mede in Nederland kan voordoen en dat Nederlands recht van toepassing is. Gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe onder voorwaarden, waaronder dat eiser binnen zes weken een bodemprocedure moet starten tegen de gebruikers. De accounts moeten binnen zeven dagen na betekening worden bevroren, met een dwangsom van €100.000 bij niet-naleving. Daarnaast moeten gedaagden binnen zeven dagen opgave doen van de getroffen activa en een transactieoverzicht verstrekken, met een dwangsom van €5.000 per dag tot maximaal €50.000.

De voorziening verliest haar werking indien eiser geen bodemprocedure start, een afwijzend vonnis wordt gewezen, uitvoering is gegeven aan een toewijzend vonnis, of de bodemprocedure anders eindigt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de bevriezing van de cryptoplatformaccounts en legt dwangsommen op bij niet-naleving, onder voorwaarden voor het instellen van een bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/696615 / KG ZA 25-1274
Vonnis in kort geding van 23 januari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat: mr. M.N. Landzaad,
tegen

1.DERIBIT FZE te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),2. DRB PANAMA INC. te Panama City (Panama),

gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Op 23 december 2025 heeft de advocaat van eiser onder toezending van een conceptdagvaarding met producties de voorzieningenrechter verzocht om een datum te bepalen voor een kort geding. Hierbij heeft eiser gevorderd om, voor de duur van het kort geding een (voorlopige) voorziening te treffen, zonder gedaagden daarbij te horen.
1.2.
Bij tussenvonnis van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter gedaagden voorwaardelijk bevolen om de in de conceptdagvaarding vermelde accounts te bevriezen en hen verboden om betrokkenen daarvan vooraf in kennis te stellen. Aan dit bevel heeft de voorzieningenrechter de voorwaarde verbonden dat eiser het kort geding zo snel mogelijk daarna aanhangig moest maken.
1.3.
Vervolgens heeft eiser op 6 januari 2026 de dagvaarding doen uitbrengen overeenkomstig de aangehechte kopie. Ter zitting van 16 januari 2026 heeft eiser bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.4.
Gedaagden zijn behoorlijk opgeroepen tegen die terechtzitting, maar zij zijn daar (overigens met voorafgaande kennisgeving) niet verschenen. Tegen gedaagden is verstek verleend.

2.De beoordeling van het geschil

2.1.
Nu gedaagden buiten Nederland gevestigd zijn, dient de voorzieningenrechter ambtshalve zijn bevoegdheid en het toepasselijk recht vast te stellen.
2.2.
Eiser stelt dat hij in Nederland het slachtoffer is geworden van (crypto)fraude. Hij voert daartoe aan dat hij (crypto)activa ter beschikking heeft gesteld aan de heer [naam] (hierna: [naam]) om het te beleggen op de cryptobeurs van gedaagden. Eiser heeft aan zijn vorderingen (onder meer) ten grondslag gelegd dat gedaagden onrechtmatig handelen indien zij nalaten de (een of meer) accounts van [naam] te bevriezen, omdat zij daarmee faciliteren dat eiser (in Nederland) het slachtoffer wordt van fraude. Gelet hierop is de voorzieningenrechter op grond van artikel 6e Rv bevoegd om van de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen, omdat het gestelde schadebrengende feit zich (mede) kan voordoen in Nederland.
2.3.
Aangezien het schadebrengende zich (mede) kan voordoen in Nederland, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat op de vorderingen van eiser Nederlands recht van toepassing is.
2.4.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – toegewezen.
2.5.
Zoals gevorderd wordt aan het bevel tot bevriezing dan wel schorsing van de accounts de voorwaarde verbonden dat eiser een bodemprocedure aanhangig maakt tegen de betreffende gebruiker(s), een en ander zoals in de beslissing vermeld. Doet eiser dat niet, dan verliest de voorziening haar werking. Daarnaast zal de voorzieningenrechter bepalen dat de voorziening ook haar werking verliest:
vier weken nadat in de bodemprocedure een afwijzend vonnis is gewezen;
zodra uitvoering is gegeven aan een toewijzend vonnis in de bodemprocedure, in die zin dat de door de schorsing getroffen activa aan eiser uit de accounts zijn betaald ter voldoening aan dat toewijzende vonnis, voor zover deze activa het toegewezen bedrag overtreffen;
de bodemprocedure op andere wijze is geëindigd;
2.6.
De termijn waarbinnen gedaagden de accounts moeten bevriezen dan wel de rechten van de gebruikers moeten schorsen wordt bepaald op zeven dagen na betekening van dit vonnis en niet eerder dan vier dagen nadat eiser dit vonnis alsmede de Engelse vertaling daarvan ter kennis van gedaagden heeft gebracht, een en ander zoals in de beslissing vermeld.
2.7.
De termijn waarbinnen gedaagden aan de vorderingen onder III en IV moeten voldoen worden bepaald op zeven dagen na betekening van dit vonnis.
2.8.
De op te leggen voorzieningen worden versterkt met een dwangsom, een en ander zoals in de beslissing vermeld. Voor de vorderingen onder I. en II. betreft dit een eenmalige dwangsom. De dwangsom voor de vorderingen onder III en IV wordt bepaald op € 5.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.
2.9.
Zoals gevorderd door eiser zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
beveelt gedaagden binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan vier dagen nadat eiser dit vonnis, alsmede de Engelse vertaling daarvan, aan gedaagden ter kennis heeft gebracht door toezending aan haar advocaat dan wel de e-mailadressen [e-mailadres 1], [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] om de accounts van [naam], geboren op [geboortedatum] 1983 en woonachtig te [woonplaats 2], Nova-Dox LLC, een vennootschap naar het recht van Saint Vincent en de Grenadines en Criptomart Diseño Grafico SL, een vennootschap naar het recht van Spanje, te bevriezen en bevroren te houden dan wel de rechten van de gebruiker(s) om met de accounts transacties te verrichten te schorsen en geschorst te houden;
3.2.
bepaalt dat de voorziening onder 3.1 haar werking verliest:
indien eiser niet binnen zes weken na bekendmaking van de onder 3.5 en 3.6 bedoelde informatie een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de betreffende gebruiker(s), waarin mede een voorziening wordt gevorderd die de rechtspositie van gedaagden betreffende de afdracht van hetzij de bevroren activa dan wel de tegenwaarde daarvan en/of de status van de bevriezing van de accounts duidelijk maakt;
vier weken na de dag waarop een afwijzend vonnis in de hiervoor bedoelde bodemprocedure wordt gewezen;
zodra uitvoering is gegeven aan het vonnis in de hiervoor bedoelde bodemprocedure, in die zin dat de door de schorsing getroffen activa aan eiser uit de account(s) zijn betaald ter voldoening aan dat toewijzende vonnis, voor zover deze activa het toegewezen bedrag overtreffen;
indien de bodemprocedure op andere wijze is geëindigd;
3.3.
verbiedt gedaagden om de onder 3.1 bedoelde gebruikers vooraf van deze maatregel in kennis te stellen;
3.4.
veroordeelt gedaagden om aan eiser een dwangsom te betalen van € 100.000,00 indien zij niet aan de veroordelingen onder 3.1 en 3.3 voldoen;
3.5.
veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan (de advocaat van) eiser opgave te doen van het aantal en de soort (derivaten van) cryptovaluta en/of liquiditeiten die door de maatregel zijn getroffen met meezending van een gedateerde schermafbeelding van de bevroren accounts.
3.6.
veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan (de advocaat van) eiser een transactieoverzicht te verstrekken over de periode 15 oktober 2022 (de datum van de eerste storting door eiser tot en met de datum van bevriezing van de accounts van [naam] en/of de aan hem gelieerde vennootschappen;
3.7.
veroordeelt gedaagden om aan eiser een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per dag indien zij niet aan de veroordelingen onder 3.5 en 3.6 voldoen, zulks met een maximum van in het totaal € 50.000,00;
3.8.
veroordeelt gedaagden, onder de voorwaarde van toezending van het vonnis in de onder 3.2 bedoelde bodemprocedure waarin [naam] en/of de desbetreffende entiteiten
uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld schadevergoeding te betalen aan eiser, om de hierna te noemen overdracht van activa te dulden, met inbegrip van bewijs van betekening van dat vonnis aan [naam] en/of de betreffende entiteiten, de activa in de accounts te verzenden (indien het digitale activa betreft) respectievelijk te betalen (indien het liquiditeiten betreft) op een cryptoaccount of bankrekeningnummer op naam van eiser, tot het beloop van de toegewezen schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten, met dien verstande dat gedaagden niet meer activa hoeven over te dragen dan door de schorsing van de accounts zijn getroffen;
3.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
compenseert de kosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
3.11.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
WJ