Verzoeksters, allen van Turkse nationaliteit, hebben asielaanvragen ingediend die door de minister niet in behandeling zijn genomen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Tegen deze besluiten zijn afzonderlijke beroepen ingesteld en verzoeken om voorlopige voorzieningen gedaan.
De voorzieningenrechter constateert dat de beroepen mogelijk niet binnen de overdrachtstermijn van 29 maart 2026 kunnen worden afgehandeld, mede doordat de behandeling is geschorst in afwachting van onderzoek naar documenten zoals het familieboekje en de huwelijksakte. De minister verzet zich niet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter besluit de bestreden besluiten te schorsen en bepaalt dat verzoeksters niet mogen worden overgedragen aan Kroatië totdat op de beroepen is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeksters, vastgesteld op €1.868,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.