De moeder heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De ouders waren gehuwd geweest en oefenden gezamenlijk gezag uit. Na de echtscheiding in 2024 bleef het kind bij de moeder wonen en had het omgangsrecht bij de vader.
De rechtbank constateerde dat sinds oktober 2022 geen contact meer was tussen de vader en het kind, noch tussen de ouders. De vader gaf geen uitvoering aan de zorgregeling en reageerde niet op verzoeken van de moeder, zoals toestemming voor het aanvragen van een paspoort. De vader was niet verschenen op de zitting en had geen verweer gevoerd.
Op grond van artikel 1:253n BW en de gewijzigde omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het in het belang van het kind is dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 28 april 2026.