Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14089

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/692317 / FA RK 25-7341
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek moeder tot eenhoofdig gezag over minderjarige na beëindiging gezamenlijk gezag

De moeder heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De ouders waren gehuwd geweest en oefenden gezamenlijk gezag uit. Na de echtscheiding in 2024 bleef het kind bij de moeder wonen en had het omgangsrecht bij de vader.

De rechtbank constateerde dat sinds oktober 2022 geen contact meer was tussen de vader en het kind, noch tussen de ouders. De vader gaf geen uitvoering aan de zorgregeling en reageerde niet op verzoeken van de moeder, zoals toestemming voor het aanvragen van een paspoort. De vader was niet verschenen op de zitting en had geen verweer gevoerd.

Op grond van artikel 1:253n BW en de gewijzigde omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het in het belang van het kind is dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 28 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank kent de moeder het eenhoofdig gezag toe over het minderjarige kind vanwege langdurig contactgebrek van de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7341
Zaaknummer: C/09/692317
Datum beschikking: 28 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 26 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres in Polen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 6 januari 2026, met bijlage, namens de moeder.
Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en tolk A. Glinka, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van 26 oktober 2003 tot
13 september 2024.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
  • [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2024 is – voor zover hier van belang –:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
  • bepaald dat [de minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de vader zal zijn.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] te beëindigen en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter
bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot eenhoofdig gezag.
Juridisch kader
Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, als: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De rechtbank is gebleken dat na het ontstaan van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat er al ruim drie jaar tijd geen communicatie meer is tussen de ouders en tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank zal daarom de moeder ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Daarvoor heeft de rechtbank de volgende redenen. Gebleken is dat de vader in ieder geval sinds oktober 2022 uit het leven van [de minderjarige] is. De vader heeft geen uitvoering gegeven aan de vastgestelde zorgregeling. Er is geen contact tussen de vader en [de minderjarige] en ook niet tussen de ouders. De vader geeft feitelijk geen invulling aan het gezag. Ook heeft de moeder op de zitting aangegeven dat de vader niet heeft gereageerd op haar verzoek om toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] , gelet op het gebrek aan contact met en betrokkenheid van de vader, dat de moeder in het vervolg zelfstandig gezagsbeslissingen over hem kan nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op
[geboortedatum 2] 1982 in [geboorteplaats 2] , [land] , het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.