Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701482 / KG ZA 26-275
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming zorgregeling; minderjarige blijft voorlopig bij vader

De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding tussen de moeder en vader over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. Partijen zijn gescheiden en oefenden gezamenlijk ouderlijk gezag uit. Na diverse procedures en hulpverleningsoverleggen was er een zorgregeling waarbij het kind 40% van de tijd bij de vader verbleef en 60% bij de moeder. Sinds januari 2026 verblijft het kind echter volledig bij de vader, die een melding deed van vermeende mishandeling door de moeder.

De moeder vorderde nakoming van de zorgregeling en terugkeer van het kind, terwijl de vader verzocht om bevestiging van het hoofdverblijf bij hem en dat het kind zelf contact met de moeder bepaalt. De rechtbank oordeelde dat het niet in het belang van het kind is om het direct terug te sturen naar de moeder, mede vanwege de problematische verstandhouding tussen ouders en de noodzaak van professionele begeleiding.

De voorzieningenrechter legde vast dat het kind voorlopig bij de vader blijft, dat contactherstel tussen moeder en kind onder begeleiding moet plaatsvinden, en dat ouders verplicht zijn mee te werken aan hulpverleningstrajecten. De vorderingen van de moeder tot afgifte van het kind en nakoming van de zorgregeling werden afgewezen. Beide ouders dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de zorgregeling wordt afgewezen en de minderjarige blijft voorlopig bij de vader verblijven.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701482 / KG ZA 26-275
Vonnis in kort geding van 28 april 2026
in de zaak van
[de moeder]te [woonplaats 1],
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat mr. N.M. van Leeuwen te Den Haag,
tegen:
[de vader]te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat mr. R. Kuijer te Berkel en Rodenrijs.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 26);
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties (1 t/m 10);
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging c.q. aanvulling eis in conventie, met producties (27 t/m 30);
- de op 14 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn getrouwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2019. Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]). De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.2
Na de echtscheiding zijn tussen partijen diverse procedures gevoerd over verschillende gezagskwesties. Ook zijn er verschillende hulpverlenende instanties betrokken (geweest). Zo zijn de ouders bij beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2020 verwezen naar [instantie 1] voor ouderschapsbemiddeling. Dit traject is op 2 september 2020 gestart, maar dit is voortijdig geëindigd. Partijen konden het niet eens worden over de vorm van het ouderschap en de rol van beide ouders.
2.3
In 2022 hebben partijen zich aangemeld bij het Sociaal Team [plaats 1], omdat er zorgen waren over de (psychische) gesteldheid van [minderjarige].
2.4
Op 14 maart 2024 zijn partijen onder begeleiding van een mediator een (aanvullende) zorgregeling overeengekomen, waarbij – kort gezegd – [minderjarige] 40 % van de tijd bij de vader verblijft en 60% van zijn tijd bij de moeder (hierna: de zorgregeling).
2.5
Sinds 26 januari 2026 verblijft [minderjarige] bij de vader en hierna heeft de moeder [minderjarige] alleen nog vier keer kort gezien. De vader heeft wegens vermeende emotionele en lichamelijke mishandeling van [minderjarige] door de moeder een Veilig Thuis-melding gedaan op 28 januari 2026.
2.6
De vader heeft op 26 maart 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt (met kenmerk C/09/702202), waarin hij wijziging /vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem verzoekt en ook wijziging van de kinderalimentatie. Die procedure loopt nog.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De moeder vordert na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven:
primair:
  • i) de vader te veroordelen tot afgifte van [minderjarige] aan de moeder, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de vader hieraan niet voldoet;
  • ii) de vader te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of dagdeel dat de vader de zorgregeling niet nakomt;
  • iii) doorverwijzing van partijen naar [instantie 2] te [plaats 2], althans een hulpverlenende instantie die de rechtbank juist acht, voor deelname aan ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding hiervan bij de [gemeente], waarbij [instantie 2] te [plaats 2] of een zodanige hulpverlenende instantie, rapporteert over het verloop van het traject aan de rechtbank in de bodemprocedure;
voorwaardelijk:
( iv) een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] in de even week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder verblijft en in de oneven week van woensdag uit school tot vrijdag naar school (tot uiterlijk 14:00 uur), en waarbij [minderjarige] gedurende vakanties en de feestdagen de helft van de tijd bij de moeder verblijft, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter juist acht, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of dagdeel dat de vader de (voorlopige) zorgregeling niet nakomt.
3.2
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader houdt [minderjarige] zonder toestemming van de moeder bij zich en komt de zorgregeling ten onrechte niet na. Hierdoor wordt [minderjarige] verder belast met het conflict tussen zijn ouders en wordt de band met zijn moeder onder druk gezet. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Het is daarom noodzakelijk dat [minderjarige] terugkeert naar zijn moeder. Nu de vader, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, weigert [minderjarige] terug te brengen bij de moeder en weigert de zorgregeling na te komen, is opleggen van een dwangsom als prikkel tot nakoming noodzakelijk. Daarnaast moet ouderschapsbemiddeling plaatsvinden. Beide partijen lijken vertrouwen te hebben in [instantie 2] te [plaats 2]. De vader kan dit traject niet bekostigen en daarom wordt gevorderd vast te stellen dat de ouders middels een proces-verbaal van doorverwijzing worden doorverwezen naar [instantie 2] te [plaats 2] voor ouderschapsbemiddeling, waarbij [instantie 2] de resultaten van de ouderschapsbemiddeling rapporteert en in de bodemprocedure inbrengt. Als het ouderschapsbemiddelingstraject niet positief verloopt dan is een beschermingsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk.
3.3
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, te bepalen dat (i) de voorlopige (hoofd)verblijfplaats van [minderjarige] in afwachting van de uitkomst van de aanhangige bodemprocedure bij de vader zal zijn en (ii) de invulling van de zorgregeling en het contact tussen [minderjarige] en de moeder aan [minderjarige] zelf zal worden overgelaten. Daarnaast vordert de vader de moeder te veroordelen in de proceskosten zowel in conventie als in reconventie.
3.5
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] heeft rust en duidelijkheid nodig en moet verblijven in een voor hem veilige en vertrouwde omgeving. [minderjarige] heeft uitdrukkelijk gekozen om bij zijn vader te verblijven en in afwachting van de aanhangige bodemprocedure moet de (hoofd)verblijfplaats voorlopig bij de vader zijn. [minderjarige] heeft aangegeven zelf te willen beslissen wanneer en op welke wijze hij contact wil hebben met zijn moeder. Dat moet worden gerespecteerd. Het tegen zijn wil opleggen van de zorgregeling zal averechts gaan werken.
3.6
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1
Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.
4.2
Uitgangspunt is dat een tussen partijen overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen. Als een van partijen wijziging van de zorgregeling wil, moet dat in beginsel in een bodemprocedure aan de orde worden gesteld. De vader heeft een verzoekschrift ingediend tot wijziging /vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem.
De vraag die in dit kort geding voorligt is, of er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die op dit moment aan onverkorte nakoming van de zorgregeling in de weg staan.
4.3
De kern van de problematiek is in dit geval gelegen in de problematische, complexe verstandhouding tussen de ouders. Het lukt hen niet om op een constructieve manier in gesprek te gaan. De inzet van hulpverlening in het verleden heeft geen (structurele) oplossing gebracht. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het van groot belang is dat partijen gezamenlijk optrekken om de problemen van [minderjarige] aan te pakken. Daarbij is het essentieel dat de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen verbetert en dat zij in onderling overleg tot afspraken komen over de (invulling van de) omgang, waarbij de ouders [minderjarige] duidelijk kaders geven over de (invulling van) de omgangsmomenten met zijn ouders en waarbij moet worden gestreefd naar consensus op hoofdlijnen.
4.4
Partijen zijn het er over eens dat er in ieder geval weer omgang moet komen tussen de moeder en [minderjarige]. Zij zijn het er ook over eens dat er snel contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] moet plaatsvinden, onder begeleiding van een professionele hulpverlener. Ter zitting is afgesproken dat de moeder daartoe een afspraak zal maken met de praktijkondersteuner van haar huisarts. De vader heeft toegezegd hiervoor zijn toestemming te geven en ook dat hij [minderjarige] naar deze afspraak zal (laten) brengen. De praktijkondersteuner zal moeten beoordelen of hij/zij zelf herstelgesprek(ken) kan begeleiden of dat daartoe een verwijzing naar een andere hulpverlener nodig is. Partijen hebben verklaard bereid te zijn mee te werken aan dit contactherstel en een eventueel noodzakelijke vervolgverwijzing naar hulpverlening en dat zij de aanwijzingen van de deskundigen ter zake willen opvolgen. De voorzieningenrechter zal een en ander voor alle duidelijkheid als verplichting vastleggen in het dictum van dit vonnis.
4.5
Beide ouders hebben op de zitting tevens de bereidheid uitgesproken om opnieuw deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om specifiek door te verwijzen naar de door de moeder gevorderde hulpverlenende instantie [instantie 2] te [plaats 2]. De voorzieningenrechter zal de ouders en [minderjarige] wel in de gelegenheid stellen deel te nemen aan een door de gemeente gefinancierd traject van ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan dit vonnis is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Nu het hier een eindvonnis betreft is het aan de ouders zelf om een (eind)rapportage over het verloop van het traject in te dienen in de lopende bodemprocedure.
4.6
Het is de voorzieningenrechter, mede doordat zij voorafgaand aan de zitting zelf een kindgesprek heeft gevoerd met [minderjarige], duidelijk geworden dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is als hij per direct verplicht wordt om de zorgregeling weer na te komen door terug te gaan naar zijn moeder. Duidelijk is dat [minderjarige] op dit moment niet bij de moeder wil wonen, maar volledig bij de vader wil verblijven. Zonder professionele hulp en begeleiding, is het, mede gegeven de leeftijd van [minderjarige], niet realistisch hem nu direct terug te sturen. Dat betekent dat hij vooralsnog bij wege van
ordemaatregelbij de vader mag blijven. De reconventionele vordering van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige] (voorlopig) bij hem te bepalen zal dan ook worden afgewezen. De vraag of wijziging van hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige] is dient zorgvuldig in de bodemprocedure te worden beoordeeld; daarvoor leent een kort geding zich niet. Het gaat nu slechts om een voorlopige beslissing en die laat onverlet dat een beslissing in de bodemprocedure anders kan uitpakken.
4.7
Wel is het van groot belang dat het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] zo snel mogelijk plaatsvindt, zoals hiervoor onder 4.4. is weergegeven.
Na dit eerste contactherstel zal (zo nodig via hulpverlening) moeten worden toegewerkt naar een wekelijks contactmoment tussen de moeder en [minderjarige] met een geleidelijke verdere opbouw. Op de zitting is met partijen besproken dat zij er van uit gaan dat [minderjarige] na een herstelgesprek in beginsel elke vrijdag na school tot in ieder geval na het eten bij de moeder zal kunnen zijn. De voorzieningenrechter acht het desondanks op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om al een voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] te bepalen, zoals de moeder voorwaardelijk in conventie heeft gevorderd. Dit zou op dit moment namelijk de verhouding tussen de moeder en [minderjarige] verder op scherp kunnen stellen en dat is niet wenselijk. Eerst moet het herstelgesprek plaatsvinden en draagvlak worden gecreëerd voor hernieuwde omgang met de moeder.
4.8
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de moeder in conventie, die strekken tot afgifte van [minderjarige], nakoming van de zorgregeling en vaststellen van een voorlopige zorgregeling worden afgewezen. Gelet hierop zijn ook de gevorderde dwangsommen niet toewijsbaar.
4.9
De voorzieningenrechter benadrukt nogmaals dat het voor het welslagen van het contactherstel van groot belang is dat de ouders (zo nodig via hulpverlening) eensluidende afspraken maken over de contactmomenten, zodat [minderjarige] weer duidelijke kaders heeft die door beide ouders worden ondersteund. Dit is ook met partijen besproken op de zitting. Ook is het van belang dat [minderjarige] onbelast omgang kan hebben met beide ouders en dat de ouders elkaar niet diskwalificeren.
4.1
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kind betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1
bepaalt dat [minderjarige]
voorlopigbij de vader zal verblijven, totdat partijen in onderling overleg (al dan niet via hulpverlening) anders overeenkomen of totdat een (bodem)rechter anders heeft beslist;
5.2
bepaalt dat partijen verplicht zijn zich op korte termijn te wenden tot de praktijkondersteuner van de huisarts van de moeder met het verzoek na te gaan of de praktijkondersteuner zelf herstelgesprek(ken) als bedoeld in 4.4. kan voeren of dat daartoe doorverwijzing naar een andere hulpverlener noodzakelijk is, en bepaalt dat de ouders de aanwijzingen van de betreffende hulpverleners in het belang van [minderjarige] dienen op te volgen;
5.3
stelt vast dat partijen bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
5.4
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) dit vonnis te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
5.5
stelt vast dat de ouders in dit eindvonnis zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
AW