Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14130

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL25.26506 en AWB 24 / 20881
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 27 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijk humanitair en gezinslid na geweldsincident

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, en haar minderjarige dochter vroegen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan, respectievelijk voor het doel 'tijdelijk humanitair' en als gezinslid. Na de gewelddadige dood van de echtgenoot en vader in Amsterdam, reisden zij naar Nederland om de strafzaak bij te wonen. De minister stelde de aanvragen buiten behandeling wegens vermeend herstelverzuim en legde een terugkeerbesluit op.

De rechtbank oordeelt dat hoewel verweerder de mogelijkheid had om de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 4:5 Awb Pro, dit in deze zaak niet passend was omdat voldoende informatie bekend was en een inhoudelijke beoordeling mogelijk was. Tevens had een hoorzitting in bezwaar passend geweest. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit binnen zes weken.

Daarnaast wordt verweerder bevolen zich te onthouden van uitzettingsmaatregelen tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Tijselink op 26 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en een nieuw besluit binnen zes weken bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.26506 (beroep) en AWB 24/20881 (verzoek om voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres 1], geboren op [geboortedag 1] 1991, van Marokkaanse nationaliteit,

[eiseres 2], geboren op [geboortedag 2] 2022, van Marokkaanse nationaliteit, eisers (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.K. van der Steen-Jhinnoe).

Procesverloop

Met het besluit van 26 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘tijdelijk humanitair’ en de aanvraag van haar minderjarige dochter voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam]’ buiten behandeling gesteld.
Met het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en (al hangende bezwaar) een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Daarnaast zijn de dochter van eiseres, de schoonfamilie van eiseres en vier toehoorders verschenen. Ook S. Fajr is verschenen, tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

Wat is er aan de procedures voorafgegaan?
1. De echtgenoot van eiseres en vader van hun minderjarige kind is op [datum 1] in Amsterdam met geweld gedood. Eiseres heeft daarna met haar dochter toegang tot Nederland gevraagd. Aan haar is een visum verleend met een geldigheidsduur van 90 dagen in de periode van [datum 2] tot [datum 3]. Eiseres is met haar dochter naar Nederland gereisd om de strafzaak bij te wonen en slachtofferverklaringen af te leggen.
2. Op 7 oktober 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijk humanitair’ en voor haar dochter een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam]’.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvragen buiten behandeling gesteld en aan eiseres en haar dochter een terugkeerbesluit opgelegd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat de aanvragen niet in behandeling zijn genomen op grond van artikel 4:5, eerste lid onder c, van de Awb [1] . Verweerder heeft eiseres met de brief van 17 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld om de aanvragen aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of gegevens en een hersteltermijn van twee weken gegeven. Verweerder stelt daarnaast dat het terugkeerbesluit terecht is genomen op grond van artikel 27, tweede lid onder a, van de Vw [2] . Verweerder heeft op grond van de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb afgezien van het horen van eisers.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het griffierecht
4. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Ten aanzien van het beroep
5. Eiseres voert aan dat zij bij het indienen van de aanvragen heeft uitgelegd wat de omstandigheden en redenen voor de aanvragen waren. Het bijwonen van de strafzaak en het gebruik maken van haar spreekrecht waren voor eiseres van groot belang. Volgens eiseres zijn veel van de door verweerder gevraagde gegevens niet relevant voor het te nemen besluit. Eiseres voert daarnaast aan dat niet duidelijk is voor welke aanvraag het herstelverzuim gold. De dochter had verblijf bij eiseres verzocht op grond van artikel 8 EVRM Pro [3] , terwijl de aanvraag van eiseres tijdelijk was. Eiseres voert verder aan dat geen sprake is van een onvolledige aanvraag, omdat er geen gegevens of bescheiden ontbraken waardoor het onmogelijk was om op de aanvragen te beslissen. Eiseres voert ten slotte aan dat zij op 26 november 2024 samen met haar dochter bij het loket is verschenen en de herstelbrief heeft meegenomen en verder heeft toegelicht wat de redenen waren om met het visum uit Marokko te vertrekken en wat de stand van de strafzaak was.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 4:5, eerste lid onder c, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Aan die voorwaarde is op zich voldaan.
6.2.
Dit betekent echter niet dat verweerder ook in dit geval de aanvragen buiten behandeling had mogen stellen. Veel informatie was al bekend c.q. kon zijn bij verweerder (via het ministerie van Buitenlandse Zaken), bij het primaire besluit en bij de beslissing op bezwaar. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat een inhoudelijke beslissing niet mogelijk was, en had ook gelet op de voorgeschiedenis ten minste het beleggen van een hoorzitting in bezwaar in de rede gelegen om vervolgens de aanvraag al dan niet inhoudelijk te beoordelen.
6.3.
De rechtbank merkt ten slotte op dat op de zitting is besproken dat eiseres en haar dochter mogelijk een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez [4] kunnen indienen, maar dat verweerder daar geen duidelijkheid over kon geven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiseres mag die besluitvorming in Nederland afwachten, waartoe op de voet van artikel 8:72 van Pro de Awb een voorlopige voorziening wordt getroffen. De rechtbank gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Voor het door de voorzieningenrechter nog treffen van enige voorziening op het separaat ingediende verzoek daartoe is dan geen aanleiding. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.26506:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van eiseres/verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/20881:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.