Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26870
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring op grond van onttrekkingsrisico bij asielaanvraag

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, gelet op meerdere zware en lichte gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekbevelen.

Eiser betwistte enkele gronden, waarvan de minister ter zitting erkende dat deze niet terecht waren opgevoerd. De rechtbank oordeelde echter dat de overige gronden voldoende waren om het onttrekkingsrisico aan te nemen. Daarnaast voerde eiser aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel dan bewaring had opgelegd en dat de motivering ontbrak. De rechtbank vond de motivering toereikend, mede omdat eiser geen vast verblijfadres kon aantonen en al eerder met onbekende bestemming was vertrokken.

Ten slotte stelde eiser dat hij mogelijk niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet vanwege een lopende strafzaak. De rechtbank oordeelde dat dit geen beletsel is voor de bewaring zolang de asielaanvraag niet definitief is beslist. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.26870

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Budak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedag] 2001.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser betoogt dat de minister de zware grond 3c en de lichte grond 4c ten onrechte heeft tegengeworpen. De minister heeft dat ter zitting erkend. Eiser heeft de overige gronden van de maatregel niet betwist.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overige gronden van de maatregel (3a, 3b, 4a en 4d) heeft kunnen tegenwerpen. Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn in het licht van de stukken in het dossier al voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor zover eiser heeft willen betogen dat er geen onttrekkingsrisico is slaagt dat betoog dus niet.
3. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte geen lichter middel dan de bewaring heeft opgelegd en dat hij in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom daarvan is afgezien. Eiser staat ingeschreven op het adres [adres] en dat adres was ook al bekend bij de minister, zo blijkt uit het dossier. De minister had daarin aanleiding moeten zien om een lichter middel op te leggen en in de maatregel ontbreekt de motivering waarom ondanks die omstandigheden toch is afgezien van het opleggen een lichter middel. Volgens eiser is de bestreden maatregel om beide redenen vanaf aanvang onrechtmatig.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat hij staat ingeschreven op bovengenoemd adres, maar dat hij geen vast verblijfsadres heeft en ‘her en der’ verblijft bij vrienden. Eiser heeft verder ook geen indicaties gegeven dat hij nu wel op dat adres zou kunnen verblijven. De minister hoefde daaraan dus geen specifieke overweging te wijden en kon volstaan met de overweging dat het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling te groot is, mede gelet op het feit dat eiser al eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank acht ook de verdere motivering toereikend en is van oordeel dat de minister geen lichter middel heeft hoeven opleggen.
4. Eiser betoogt ten slotte dat hij mogelijk niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet. Eiser staat nog gedagvaard voor de behandeling van zijn strafzaak op
21 juli 2026 en het Openbaar Ministerie heeft nog niet gereageerd op de vraag van de minister of er bezwaar bestaat tegen zijn uitzetting.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt, omdat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen voorwaarde is voor het opleggen en voortduren van een bewaring krachtens artikel 59b van de Vw. [1] Zolang nog niet definitief is beslist op eisers asielaanvraag kan hij immers niet worden uitgezet.
5. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen en voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van