ECLI:NL:RBDHA:2026:14137
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken vluchtelingenstatus en onvoldoende medische onderbouwing
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, diende op 9 maart 2026 een asielaanvraag in met het argument dat hij in Marokko geen familie of onderdak heeft en bij terugkeer in een situatie van totale ontreddering zal belanden. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat de omstandigheden niet raken aan het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van Pro het EVRM.
De rechtbank behandelde het beroep en de voorlopige voorziening op 24 april 2026. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn medische situatie en sociale omstandigheden in Marokko, en dat hij vanwege zijn leeftijd, dakloosheid en gebrek aan sociaal netwerk in Nederland niet in staat zou zijn om terug te keren. Verweerder stelde dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden had aangevoerd en dat hij toegang heeft tot huisvesting en gezondheidszorg in Marokko.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn stellingen, waaronder het ontbreken van medische stukken en onderbouwing van zijn situatie. Ook werd gewezen op het feit dat eiser pas na negen jaar verblijf in Nederland asiel aanvroeg, nadat hem een uitzettingsdatum was medegedeeld. De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen en wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep van eiser af en bevestigt de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond.