Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26341
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring op grond van onttrekkingsrisico vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep op 19 mei 2026. Eiser betwistte slechts één lichte grond van de maatregel, welke de minister ter zitting introk. De rechtbank oordeelde dat de vier zware gronden die de minister aanvoerde – waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan vaststelling identiteit – voldoende waren om het onttrekkingsrisico aan te nemen.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was omdat hij tijdelijk in een opvanglocatie verbleef. De rechtbank verwierp dit, omdat eiser zich eerder langdurig aan toezicht had onttrokken en niet had meegewerkt aan vertrek. De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26341

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1986.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser betoogt dat de minister de lichte grond 4b ten onrechte heeft tegengeworpen, omdat geen sprake is van meerdere aanvragen die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid. De minister heeft dat ter zitting erkend. Eiser heeft de overige gronden van de maatregel niet betwist.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in ieder geval de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d heeft kunnen tegenwerpen. Deze vier zware gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn al voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor zover eiser heeft willen betogen dat er geen onttrekkingsrisico is slaagt dat betoog dus niet.
3. Eiser betoogt verder dat de minister een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten opleggen. Eiser verbleef bij HVO Querido, een opvanglocatie voor ongedocumenteerden, waar hij traceerbaar is voor minister. Volgens eiser had de minister daarom kunnen volstaan met het opleggen van een meldplicht.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Eiser heeft zich gedurende lange tijd onttrokken aan het toezicht en hij heeft geen gevolg gegeven aan zijn verplichting tot vertrek. Dat eiser feitelijk enige tijd in de opvang van HVO Querido verbleef doet daar niet aan af. Hij heeft de minister destijds immers niet geïnformeerd over zijn verblijfplaats en hij heeft niet gewerkt aan zijn vertrek. Het enkele feit dat eiser asiel heeft aangevraagd nu hij weer is aangetroffen maakt niet dat de minister deze omstandigheden niet kon meewegen en dat het risico dat eiser zich weer aan het toezicht zal onttrekken niet meer mocht worden aangenomen door de minister. [1] Eiser heeft ook geen andere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de minister er op mocht vertrouwen dat hij zich nu wel beschikbaar zou houden. Gelet daarop heeft de minister in de maatregel kunnen overwegen dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de bewaring.
4. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie ook de overweging onder 2.2.