Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 2 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.
Eiser voerde aan dat de totale duur van zijn inbewaringstelling de wettelijke termijn overschreed en dat er geen verlengingsbesluit was genomen, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin was vastgesteld dat de maatregel gebaseerd is op een terugkeerbesluit van 2 maart 2026 en dat de duur van 18 maanden niet is overschreden. Ook was geen verlengingsbesluit vereist omdat de duur van zes maanden niet was bereikt.
De stelling van eiser dat hij eind jaren negentig al in vreemdelingenbewaring zat, werd niet aannemelijk geacht. Ambtshalve toetsend concludeerde de rechtbank dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, met een aangevraagde laissez-passer en lopend onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten. De minister handelde voortvarend, onder meer door rappelleren en vertrekgesprekken.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.