ECLI:NL:RBDHA:2026:14204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24105
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwTerugkeerrichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens terugkeerbesluit en voortvarendheid uitzetting

De minister van Asiel en Migratie legde op 2 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.

Eiser voerde aan dat de totale duur van zijn inbewaringstelling de wettelijke termijn overschreed en dat er geen verlengingsbesluit was genomen, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin was vastgesteld dat de maatregel gebaseerd is op een terugkeerbesluit van 2 maart 2026 en dat de duur van 18 maanden niet is overschreden. Ook was geen verlengingsbesluit vereist omdat de duur van zes maanden niet was bereikt.

De stelling van eiser dat hij eind jaren negentig al in vreemdelingenbewaring zat, werd niet aannemelijk geacht. Ambtshalve toetsend concludeerde de rechtbank dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, met een aangevraagde laissez-passer en lopend onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten. De minister handelde voortvarend, onder meer door rappelleren en vertrekgesprekken.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24105
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).

Procesverloop

De minister heeft op 2 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 maart 2026 (in de zaken NL26.11918 en NL26.12030)
volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat vanwege de totale duur van eisers inbewaringstelling en het ontbreken van een verlengingsbesluit de maatregel van bewaring met ingang van 17 maart 2026 onrechtmatig moet worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt.
5. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 23 maart 2026 (in de zaken NL26.11918 en NL26.12030), rechtsoverwegingen 10 en 11, waarin is geoordeeld dat de onderhavige maatregel is gebaseerd op een terugkeerbesluit van 2 maart 2026. Wat betreft eisers verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kadzoev van 30 november 2009 en artikelen van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, overweegt de rechtbank dat de huidige inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, de duur van 18 maanden niet heeft overschreden. Omdat evenmin sprake is van een duur van deze maatregel van zes maanden, was de minister niet gehouden om een verlengingsbesluit te nemen om deze maatregel rechtmatig te laten voortduren. De stelling van eiser dat hij eind jaren ’90 (1998/1999) voor langere tijd in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de systemen van verweerder niet eerder bekend is dan per 25 mei 2022 en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit standpunt onjuist is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. In het kader van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is overweegt zij dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat ten behoeve van eiser op 9 maart 2026 een laissez-passer is aangevraagd en dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt. Tevens heeft de minister op 2 april 2026 en 23 april 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 8 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onvoldoende voortvarend handelen in de uitzetprocedure van eiser. Gelet hierop en de inhoud van het dossier komt de rechtbank ook overigens ambtshalve toetsend tot het oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.