De minister van Asiel en Migratie legde op 27 februari 2026 aan eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, een maatregel van vreemdelingenbewaring op. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek meerdere keren gesloten en heropend, waarbij eiser gelegenheid kreeg te reageren op het verweerschrift en het presentatieverslag.
Eiser voerde aan dat het overzicht van opgelegde maatregelen ontbrak, dat er geen zicht was op uitzetting naar Nigeria vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit en het ontbreken van een tolk tijdens de presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Ook stelde hij dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat een lichter middel dan bewaring geïndiceerd was.
De rechtbank oordeelde dat het overzicht van maatregelen wel aanwezig was, dat het zicht op uitzetting naar Nigeria aanwezig is gezien de contacten met de Nigeriaanse autoriteiten en dat eiser onvoldoende meewerkte aan het verkrijgen van documenten. De rechtbank vond geen aanleiding om de bewaring op te heffen of te wijzigen en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.