Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/788
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 40 PwArt. 1:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens hoofdverblijf buiten gemeente en toekenning schadevergoeding redelijke termijnoverschrijding

Eiser diende een bijstandsaanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, welke werd afgewezen omdat zijn hoofdverblijf zich niet binnen de gemeente bevond maar in een andere plaats waar hij bij de moeder van zijn kinderen verbleef. De Sociale Recherche voerde observaties uit die dit bevestigden. Eiser betwistte dit, maar de rechtbank oordeelde dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven zich inderdaad buiten de gemeente bevond, waardoor de afwijzing terecht was.

Daarnaast verzocht eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank stelde vast dat de procedure meer dan een jaar langer duurde dan toegestaan volgens artikel 6 EVRM Pro, en kende een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-, waarvan een deel voor rekening van het college en een deel voor de Staat kwam. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de schadevergoeding en proceskosten werden toegewezen, en eiser kreeg het griffierecht niet terug. De uitspraak werd gedaan door rechter C.J. Waterbolk op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser heeft zich op 8 februari 2023 gemeld voor een bijstandsuitkering. Op
28 februari 2023 heeft eiser de bijstandsaanvraag ingediend bij verweerder. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser tijdens het intakegesprek op 2 mei 2023 heeft verklaard dat hij zijn hoofdverblijf heeft in [plaats 2] bij de moeder van zijn kinderen, op het [adres]. In de periode van 6 maart 2023 tot 3 april 2023 heeft de Sociale Recherche (SR) waarnemingen verricht bij de woning van eiser in [plaats 1] (het bij de aanvraag opgegeven adres) en bij de woning in [plaats 2]. In deze periode is eiser nooit waargenomen bij zijn woning in [plaats 1], maar wel bij de woning in [plaats 2]. Op
13 april 2023 heeft de SR eiser geconfronteerd met deze bevindingen. Eiser heeft toen verklaard dat hij vanaf het moment dat hij werkloos werd, december 2022, niet meer in zijn flat is [plaats 1] is geweest. Hij brengt dagelijks de kinderen naar school in [plaats 2]. Eiser heeft vervolgens zijn aanvraag voor bijstand ingetrokken.
2.1.
Op 18 april 2023 heeft eiser zich opnieuw gemeld voor bijstand. Op 2 mei 2023 heeft hij de bijstandsaanvraag ingediend bij verweerder. Uit het onderzoeksrapport van de SR blijkt dat er tussen 1 mei 2023 en 17 mei 2023 frequent observaties zijn gedaan in [plaats 2], en dat eiser bij elke observatie bij de woning van de partner is waargenomen. De SR concludeert dat er geen sprake is van een gewijzigde situatie ten opzichte van de eerdere aanvraag. Het college heeft vervolgens het primaire besluit genomen en de aanvraag van eiser afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft het advies van de commissie voor bezwaarschriften overgenomen en de motivering van het besluit verbeterd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing voor de bijstand. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Wat vindt eiser?
4. Eiser meent dat hij met ingang van 8 februari 2023 recht heeft op bijstand. Zijn aanvraag is ten onrechte afgewezen, omdat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij zijn hoofdverblijf in [plaats 2] had in de te beoordelen periode. Het dossier biedt hiervoor onvoldoende feitelijke grondslag.

Heeft verweerder de bijstandsaanvraag op juiste gronden afgewezen?

5. De rechtbank overweegt dat de te beoordelen periode loopt van 18 april 2023 tot en met 14 december 2023. Dat is vanaf de datum van de (tweede) melding van eiser voor bijstand, tot en met de datum van het bestreden besluit.
6. Recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbenden woonplaats heeft zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). [1] De woonplaats van een persoon bevindt zich te zijner woonstede, dat wil zeggen daar waar hij daadwerkelijk woont, en bij gebreke aan een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. [2] Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is daar waar zijn hoofdverblijf is. Dit is vaste rechtspraak.
6.1.
Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats is in de zin van artikel 40, eerste lid, van de Pw is derhalve bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft, en als er geen hoofdverblijf is aan te wijzen, daar waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven zich afspeelt. Dit dient te worden bepaald aan concrete feiten en omstandigheden.
7. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt genoegzaam dat eiser gedurende meeste tijd bij de moeder van zijn kinderen in [plaats 2] verblijft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op juiste gronden de aanvraag van eiser heeft afgewezen nu zijn hoofdverblijf zich niet bevindt binnen de [gemeente], maar binnen de [plaats 2].
8. Het beroep slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn
9. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
9.1.
De termijn is aangevangen op 9 juni 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De redelijke termijn eindigde derhalve op 9 juni 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (naar boven afgerond) twaalf maanden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Met de overschrijding van twaalf maanden correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-
9.2.
Van deze overschrijding is een periode van één maand toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – één maand – voor rekening verweerder komt en het resterende deel – elf maanden – voor rekening van de Staat. Hieruit volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 83,33 (dat is 1/12 van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van
€ 916,67.
9.3.
De rechtbank ziet aanleiding om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met de indiening van het verzoek om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding wordt eveneens evenredig toegerekend aan verweerder en de Staat.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt wel een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze bedraagt in totaal € 1.000,- . Ook krijgt eiser in verband daarmee een proceskostenvergoeding van € 467,- (1 punt met een waarde van
€ 934,- bij wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 83,33,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 916,67,- aan schadevergoeding aan eiser.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 38,92;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 428,08.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 40, eerste lid, van de Pw.
2.Dit volgt uit artikel 1:10, eerste lid, van het BW.