Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
28 februari 2023 heeft eiser de bijstandsaanvraag ingediend bij verweerder. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser tijdens het intakegesprek op 2 mei 2023 heeft verklaard dat hij zijn hoofdverblijf heeft in [plaats 2] bij de moeder van zijn kinderen, op het [adres]. In de periode van 6 maart 2023 tot 3 april 2023 heeft de Sociale Recherche (SR) waarnemingen verricht bij de woning van eiser in [plaats 1] (het bij de aanvraag opgegeven adres) en bij de woning in [plaats 2]. In deze periode is eiser nooit waargenomen bij zijn woning in [plaats 1], maar wel bij de woning in [plaats 2]. Op
13 april 2023 heeft de SR eiser geconfronteerd met deze bevindingen. Eiser heeft toen verklaard dat hij vanaf het moment dat hij werkloos werd, december 2022, niet meer in zijn flat is [plaats 1] is geweest. Hij brengt dagelijks de kinderen naar school in [plaats 2]. Eiser heeft vervolgens zijn aanvraag voor bijstand ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder de bijstandsaanvraag op juiste gronden afgewezen?
€ 916,67.
Conclusie en gevolgen
€ 934,- bij wegingsfactor 0,5).
Beslissing
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 83,33,- aan schadevergoeding aan eiser;
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.