ECLI:NL:RBDHA:2026:1423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.54911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Meesters - van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Kroatië toegewezen

Verzoeker, een Russische vreemdeling, had een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om overdracht aan Kroatië uit te stellen.

De behandeling van het beroep was geschorst in afwachting van medische stukken, die op 23 januari 2026 werden overgelegd. De Dienst Terugkeer en Vertrek gaf aan dat verzoeker op 29 januari 2026 zou worden overgedragen aan Kroatische autoriteiten. Verzoeker verzocht op 28 januari 2026 om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen totdat het beroep was beslist.

De minister voerde aan dat verzoeker medisch begeleid zou worden bij overdracht en bracht geen bijzondere belangen naar voren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker om in Nederland te blijven wachten op de uitspraak zwaarder weegt dan het belang van de minister bij overdracht. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54911

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Russische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 november 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld [1] en om een voorlopige voorziening verzocht. Dit beroep en de voorlopige voorziening zijn behandeld op de zitting van 14 januari 2026. De behandeling van het beroep is geschorst in afwachting van medische stukken.
1.2.
Verzoeker heeft op 23 januari 2026 de medische stukken overgelegd.
1.3.
Op 27 januari 2026 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) aangegeven dat verzoeker op 29 januari 2026 met vlucht KL1967 met aankomsttijd 14:35 uur zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië.
1.4.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 28 januari 2026, verzocht een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat verzoeker niet wordt overgedragen, voordat een uitspraak is gedaan op het beroep. Dit verzoek wordt aangemerkt als een aanvulling op het eerdere verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.5.
De minister heeft op 28 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

2. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb [2] kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht te bepalen dat hij niet wordt overgedragen voordat een uitspraak is gedaan op het beroep. Hij voert aan dat de rechtbank de behandeling van het beroep op de zitting heeft geschorst, in afwachting van medische stukken.
4. De minister heeft op 28 januari 2026 een reactie gegeven op de overgelegde medische stukken. De minister concludeert tot afwijzing van het verzoek en benadrukt dat verzoeker bij overdracht wordt begeleid door een medisch escort. De minister heeft verder geen bijzondere belangen naar voren gebracht met betrekking tot het gedane verzoek een voorziening te treffen.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat de gemachtigde van verzoeker nog niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op het standpunt van de minister en evenmin de vraag is voorgelegd of hij naar aanleiding van dit standpunt een nadere zitting wenst. Gelet ook op de aanleiding om de zitting van 14 januari 2026 te schorsen, en het niet noemen van bijzondere belangen door de minister, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten, zwaarder weegt dan het belang van de minister om op 29 januari 2026 verzoeker over te dragen aan de autoriteiten van Kroatië.
6. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om te bepalen dat verzoeker niet wordt overgedragen voordat een uitspraak is gedaan op het beroep.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-) € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een verzoekschrift heeft ingediend en (op 14 januari 2026) aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Deze zaak staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.54910.
2.Algemene wet bestuursrecht.