Verzoeker, een Russische vreemdeling, had een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om overdracht aan Kroatië uit te stellen.
De behandeling van het beroep was geschorst in afwachting van medische stukken, die op 23 januari 2026 werden overgelegd. De Dienst Terugkeer en Vertrek gaf aan dat verzoeker op 29 januari 2026 zou worden overgedragen aan Kroatische autoriteiten. Verzoeker verzocht op 28 januari 2026 om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen totdat het beroep was beslist.
De minister voerde aan dat verzoeker medisch begeleid zou worden bij overdracht en bracht geen bijzondere belangen naar voren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker om in Nederland te blijven wachten op de uitspraak zwaarder weegt dan het belang van de minister bij overdracht. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten.