Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- het bericht van 30 maart 2026 met productie(s) van [eiseres]
- het bericht van 31 maart 2026 met productie(s) van [gedaagde]
- de akte eiswijziging van 9 april 2026 van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Apon/Bisterbosch). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat voor goede trouw niet alleen nodig is dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. De verkrijger moet naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek instellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Bij de verkrijging van een gebruikte auto brengt dit mee dat de verkrijger ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) heeft onderzocht.
longa manuis geleverd door [naam 3] via [eiseres] . Dit wordt door [eiseres] echter gemotiveerd betwist en voor de door [gedaagde] gestelde gang van zaken zijn volgens de rechtbank in het dossier geen concrete aanknopingspunten voorhanden. In een door [eiseres] bijgevoegde verklaring van [naam 3] , weerspreekt [naam 3] dat hij een koop van de auto heeft afgesproken met [naam 2] . Volgens [naam 3] heeft [gedaagde] hem juist verteld dat zij haar eigen auto zou verkopen om vervolgens de auto volledig te betalen. Ter zitting heeft [naam 1] als gevolmachtigde desgevraagd ontkend dat hij en [eiseres] de auto wilden overdragen aan [naam 3] . [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenover deze gemotiveerde betwisting gesteld. [gedaagde] heeft een Whatsappgesprek bijgevoegd over een tussen [naam 2] en [naam 3] gevoerd overleg over een motor. In dit gesprek leest de rechtbank echter niets over een afspraak tussen [naam 2] en [naam 3] om onderling een vordering te verrekenen door levering van een motor, laat staan - zoals volgens [gedaagde] gebeurd zou zijn - door levering van de auto aan haar. Evenmin blijkt uit dit gesprek dat [naam 3] zich richting [naam 2] voordeed als gerechtigde van de auto. Het bestaan van een geldige titel kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden afgeleid uit het bericht van [naam 1] aan [gedaagde] op 23 september 2025 (
“Ik heb [naam 3] al een paar keer gebeld voor het geld (…) ik heb het nog steeds niet gekregen. Hij zegt dat hij de auto nog niet heeft gekregen van je en daarom niet wil betalen.”)
.[naam 1] heeft ter zitting namelijk gemotiveerd betwist dat uit deze berichten een afspraak tussen hem en [naam 3] ( [naam 3] ) blijkt. Volgens [naam 1] had [naam 3] zich opgeworpen om te helpen en in het al ontstane conflict te bemiddelen, door de auto bij [gedaagde] terug te halen en de waarde van de auto vervolgens aan [naam 1] te vergoeden. Volgens hem blijkt uit dit gesprek dus géén afspraak dat [naam 3] de auto zou verkopen en leveren. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toegelicht waarom dit niet klopt. De voor verkrijging te goeder trouw vereiste geldige titel staat dus niet vast. Al om die reden kan het verweer van [gedaagde] niet slagen.
5.De beslissing
20 mei 2026.