ECLI:NL:RBDHA:2026:14277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
695579
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Meester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BWArt. 5:2 BWArt. 6:119 BWArt. 111 lid 2 RvArt. 120 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Revindicatie van personenauto wegens ontbreken verkrijging te goeder trouw

Eiseres vordert de teruggave van een Range Rover Velar die op naam van gedaagde is gesteld, stellende dat zij eigenaar is gebleven omdat er geen geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Gedaagde voert verweer dat zij de auto te goeder trouw heeft verkregen via een A-B-C-transactie tussen derden.

De rechtbank stelt vast dat eiseres tot 30 juli 2025 eigenaar was en dat partijen het eens zijn dat geen wilsovereenstemming over koop is bereikt. Gedaagde slaagt er niet in de vereisten voor verkrijging te goeder trouw aan te tonen, met name ontbreekt een geldige titel en goede trouw. De overschrijving van het kenteken en de overdracht zijn onvoldoende om eigendom over te dragen zonder geldige titel.

De rechtbank wijst de vordering tot teruggave toe en legt een dwangsom op voor niet-nakoming, met een maximum van €50.000 en een termijn van 30 dagen. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Tevens worden beslagkosten en proceskosten aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet de auto binnen 30 dagen teruggeven aan eiseres onder verbeurte van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/695579 / HA ZA 25-1082
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.B.M. Swart,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.F. Ziabutt.
Waar gaat deze zaak over?
[eiseres] stelt dat zij eigenaar is van een auto die [gedaagde] onder zich houdt. Zij vordert onder meer dat [gedaagde] de auto aan haar afgeeft. [gedaagde] voert als verweer dat zij de auto te goeder trouw verkregen heeft en dus rechthebbende van de auto is geworden. De rechtbank oordeelt dat [eiseres] eigenaar van de auto is gebleven en dat [gedaagde] de auto moet teruggeven. Als zij dat niet doet, moet zij een dwangsom betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel komt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie(s) van [eiseres] van 19 november 2025
- de conclusie van antwoord met productie(s) van [gedaagde] van 21 januari 2026
- het tussenvonnis van 11 februari 2026
- het bericht van 29 maart 2026 met productie(s) van [eiseres]
- het bericht van 30 maart 2026 met productie(s) van [eiseres]
- het bericht van 31 maart 2026 met productie(s) van [gedaagde]
- de akte eiswijziging van 9 april 2026 van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter zitting is de heer [naam 1] verschenen als gevolmachtigde vertegenwoordiger van [eiseres] .
1.3.
Ter zitting heeft [gedaagde] de bij antwoord ingestelde voorwaardelijke reconventionele vordering voor herstelkosten van de auto ingetrokken.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De partner van [eiseres] is de heer [naam 1] . De partner van [gedaagde] is de heer [naam 2] . De neef van [gedaagde] is de heer [naam 3] . [naam 3] is de zakenpartner van [naam 1] . [naam 3] wordt door anderen ook wel “ [naam 3] ” genoemd.
2.2.
[eiseres] had tot 30 juli 2025 een personenauto op haar naam gesteld in het kentekenregister, namelijk een Range Rover Velar met [kenteken] (hierna: “de auto”).
2.3.
Op 26 juli 2025 en 27 juli 2025 hebben [gedaagde] en [naam 1] berichten gewisseld over het overschrijven van het kenteken van de auto naar [gedaagde] .
2.4.
Het kenteken van de auto is op 30 juli 2025 op naam gesteld van [gedaagde] . [eiseres] en [naam 1] hebben de auto aan [gedaagde] afgegeven.
2.5.
Op 23 september 2025 heeft [naam 1] aan [gedaagde] berichten gestuurd waarin hij onder meer schreef:
“Ik heb [naam 3] al een peer keer gebeld voor het geld van die rangerover van [eiseres] . Ik heb het nog steeds niet gekregen. Hij zegt dat hij de auto nog niet heeft gekregen van je en daarom niet wil betalen. Kan je hem terugbrengen. Want [naam 3] is nu niet correct bezig. Dit gaat zomaar problemen veroorzaken.”
[gedaagde] heeft hierop geantwoord:
“Dag [naam 1] , als je wilt kunnen we persoonlijk afspreken
weet niet wat tussen jou en [naam 3] speelt. Laat mij weten. Gr.”
2.6.
Op 26 september 2025 hebben [naam 1] en [gedaagde] een berichtenwisseling gehad, waarin zij onder meer schreven:
“[ [naam 1] ]: Ik weet niet wat er tussen jou en [naam 3] speelt dat is iets tussen jullie familie, maar het gaat om mijn auto. Jullie zouden de auto overnemen en ik heb niet betaald gekregen en de auto is niet terug. Ik heb de auto aan jou meegegeven uit vertrouwen. Als er iets tussen jullie speelt moet ik er niet bij betrokken raken. Er zijn andere manieren om dixit te pakken. Jullie moeten je dingen met elkaar oplossen en niet mijn auto meenemen zonder te betalen dat werkt niet en dat begrijp je wel. Ik wil of me auto terug of het geld anders ben ik genoodzaakt om aangifte te doen. Is dit een spel van [naam 3] en jou naar mij toe? Want ik geloof niet dat de zus van zijn vader een auto zomaar gaat pakken.
[gedaagde] : De auto staat sinds 30/07/2025 officieel op mijn naam bij het RDW. Ik betaal ook de verzekering en de belasting. Daarmee is de auto mijn eigendom. Als er nog een financieel conflict is, dan is dat een kwestie tussen jou en [naam 3] want ik heb de auto niet van jou gekocht. Jij hebt zelf meegewerkt aan de overschrijving op mijn naam.”
2.7.
Op 21 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] een sommatiebrief aan [gedaagde] gestuurd, waarin [gedaagde] werd aangemaand om voor de geleverde auto een koopsom van € 55.000,- te betalen.
2.8.
Op 28 oktober 2025 heeft [gedaagde] schriftelijk gereageerd op de sommatiebrief van [eiseres] . In die reactie staat onder meer:
“Ik wens u hierbij formeel mede te delen dat ik geen koopovereenkomst heb gesloten met uw cliënte of met enig ander persoon met betrekking tot het genoemde voertuig. (…) De betreffende auto is op mijn naam gezet naar aanleiding van afspraken tussen mijn neef, de heer [naam 3] , en derden. Ik ben geen partij bij die afspraken en ik heb nooit ingestemd met of kennis gehad van enige kooptransactie met uw cliënte of haar partner.”
2.9.
Op 30 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] per e-mail gereageerd. Dezelfde dag heeft [gedaagde] een e-mail teruggestuurd, waarin zij onder meer schrijft:
“De overdracht van het voertuig op mijn naam was uitsluitend een administratieve handeling, uitgevoerd met medewerking van de partner van uw cliënte. Eventuele afspraken die ik privé met de heer [naam 3] heb gemaakt, zijn uitsluitend tussen ons en hebben geen enkele juridische betekenis richting uw cliënte of haar partner.”
2.10.
Op 10 november 2025 heeft [eiseres] conservatoir beslag laten leggen op de auto.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert na eiswijziging, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
(primair) een verklaring voor recht dat [gedaagde] het voertuig zonder recht of titel onder zich houdt althans (subsidiair) een verklaring voor recht dat tussen [eiseres] en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen en dat die overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden, of de overeenkomst bij vonnis te ontbinden;
[gedaagde] te veroordelen om de auto binnen 7 dagen na dit vonnis aan [eiseres] terug te geven en de (rechts)handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiseres] als houder van de auto in het kentekenregister te registeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordelingen voldoet;
[gedaagde] , in het geval zij niet in staat blijkt te zijn de auto terug te geven of dit weigert, te veroordelen tot betaling van € 55.000,- met wettelijke rente;
[gedaagde] te veroordelen om te beslagkosten van € 298,35 te betalen, met wettelijke rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de auto in vertrouwen aan [gedaagde] heeft afgegeven in de veronderstelling dat [gedaagde] die auto van haar kocht en daarvoor later zou betalen. Omdat [gedaagde] ontkent dat er tussen hen wilsovereenstemming heeft bestaan, beroept [eiseres] zich primair op revindicatie. Voor zover er al een koopovereenkomst zou hebben bestaan, stelt [eiseres] zich subsidiair op het standpunt dat die koopovereenkomst is ontbonden, althans moet worden ontbonden, en de auto op grond van een ongedaanmakingsverbintenis moet worden teruggegeven. Zowel in het primaire als subsidiaire geval vordert [eiseres] schadevergoeding gelijk aan de gestelde waarde van de auto voor het geval [gedaagde] de auto niet wil of kan teruggeven.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij meent dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, of de vordering moet worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Zij voert als verweer dat zij rechthebbende van de auto is, omdat zij de auto te goeder trouw heeft verkregen. Zij licht toe dat [naam 2] en [naam 3] een afspraak hebben gemaakt over de auto, waarbij [naam 3] de auto zou verkopen en leveren aan [gedaagde] en [naam 2] . Als tegenprestatie zou een vordering van [naam 2] op [naam 3] worden verrekend. Omdat [naam 3] zakenpartner is van de man van [gedaagde] , en [naam 3] had gezegd dat alles geregeld was, ging zij ervan uit dat [naam 3] bevoegd was om de auto te verkopen en te leveren, zo stelt [gedaagde] .

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
[eiseres] is ontvankelijk in haar vordering
4.2.
[gedaagde] voert als verweer dat het petitum, ook na eiswijziging, onduidelijk is en dat [eiseres] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.3.
Dit verweer slaagt niet. Artikel 111 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet vermelden. Uit artikel 120 Rv Pro vloeit voort dat dit voorschrift op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat [eiseres] teruggave van de auto heeft gevorderd, in combinatie met een schadevergoeding, en dat zij dit heeft gegrond op revindicatie danwel ongedaanmaking na ontbinding. Bij antwoord heeft [gedaagde] het petitum ook in die zin begrepen en daarop verweer gevoerd. De ter zitting toegelaten eiswijziging verduidelijkt de vordering, maar introduceert geen wezenlijk nieuwe punten in het partijdebat. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting op de gewijzigde eis kunnen reageren. Van een nietig exploot van dagvaarding is geen sprake. [eiseres] is dus ontvankelijk in haar vordering.
[eiseres] was eigenaar van de auto
4.4.
De eigenaar van een zaak is op grond van artikel 5:2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bevoegd om die zaak op te eisen van een ander die die zaak zonder recht houdt. Hoewel de tenaamstelling van het kenteken van een auto een belangrijke aanwijzing is voor de vraag wie rechthebbende is op die auto, is de tenaamstelling niet beslissend. Beslissend is of het recht op de auto is verkregen onder een geldige titel (zoals een koopovereenkomst).
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] tot 30 juli 2025 eigenaar was van de auto. Ook is het primaire standpunt van beide partijen dat er nooit wilsovereenstemming is geweest tussen [eiseres] en [gedaagde] over een te betalen koopsom en dat er dus geen koopovereenkomst tussen hen tot stand is gekomen. De rechtbank neemt dit hierom tot uitgangspunt.
Het verweer dat [gedaagde] de auto te goeder trouw heeft verkregen, slaagt niet
4.6.
[eiseres] stelt dat zij ook eigenaar is gebleven nadat de auto op 30 juli 2025 in het kentekenregister op naam van [gedaagde] is overgeschreven en de auto aan [gedaagde] is afgegeven. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Zij voert als verweer dat zij de auto te goeder trouw heeft verkregen en op grond van artikel 3:86 lid 1 BW Pro rechthebbende is geworden.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor verkrijging te goeder trouw op grond van artikel 3:86 BW Pro moet aan vier vereisten zijn voldaan. Er moet (i) sprake zijn van een geldige levering, (ii) een geldige titel voor die levering, (iii) een levering anders dan om niet en (iv) goede trouw van de verkrijger op het moment van verkrijging. De Hoge Raad heeft de eis van goede trouw bij verkrijging van motorvoertuigen verder ingevuld in zijn arrest van 4 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9446 (
Apon/Bisterbosch). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat voor goede trouw niet alleen nodig is dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. De verkrijger moet naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek instellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Bij de verkrijging van een gebruikte auto brengt dit mee dat de verkrijger ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) heeft onderzocht.
4.8.
Omdat [gedaagde] zich op het rechtsgevolg van verkrijging te goeder trouw beroept, is het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro aan [gedaagde] om feiten te stellen die de hierboven genoemde vier vereisten invullen.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast dat er een geldige titel was voor levering van de auto aan [gedaagde] (voorwaarde ii). [gedaagde] stelt dat de titel voor de levering een koopovereenkomst tussen [naam 2] en [naam 3] was, waarbij via een zogenoemde A-B-C-transactie
longa manuis geleverd door [naam 3] via [eiseres] . Dit wordt door [eiseres] echter gemotiveerd betwist en voor de door [gedaagde] gestelde gang van zaken zijn volgens de rechtbank in het dossier geen concrete aanknopingspunten voorhanden. In een door [eiseres] bijgevoegde verklaring van [naam 3] , weerspreekt [naam 3] dat hij een koop van de auto heeft afgesproken met [naam 2] . Volgens [naam 3] heeft [gedaagde] hem juist verteld dat zij haar eigen auto zou verkopen om vervolgens de auto volledig te betalen. Ter zitting heeft [naam 1] als gevolmachtigde desgevraagd ontkend dat hij en [eiseres] de auto wilden overdragen aan [naam 3] . [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenover deze gemotiveerde betwisting gesteld. [gedaagde] heeft een Whatsappgesprek bijgevoegd over een tussen [naam 2] en [naam 3] gevoerd overleg over een motor. In dit gesprek leest de rechtbank echter niets over een afspraak tussen [naam 2] en [naam 3] om onderling een vordering te verrekenen door levering van een motor, laat staan - zoals volgens [gedaagde] gebeurd zou zijn - door levering van de auto aan haar. Evenmin blijkt uit dit gesprek dat [naam 3] zich richting [naam 2] voordeed als gerechtigde van de auto. Het bestaan van een geldige titel kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden afgeleid uit het bericht van [naam 1] aan [gedaagde] op 23 september 2025 (
“Ik heb [naam 3] al een paar keer gebeld voor het geld (…) ik heb het nog steeds niet gekregen. Hij zegt dat hij de auto nog niet heeft gekregen van je en daarom niet wil betalen.”)
.[naam 1] heeft ter zitting namelijk gemotiveerd betwist dat uit deze berichten een afspraak tussen hem en [naam 3] ( [naam 3] ) blijkt. Volgens [naam 1] had [naam 3] zich opgeworpen om te helpen en in het al ontstane conflict te bemiddelen, door de auto bij [gedaagde] terug te halen en de waarde van de auto vervolgens aan [naam 1] te vergoeden. Volgens hem blijkt uit dit gesprek dus géén afspraak dat [naam 3] de auto zou verkopen en leveren. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toegelicht waarom dit niet klopt. De voor verkrijging te goeder trouw vereiste geldige titel staat dus niet vast. Al om die reden kan het verweer van [gedaagde] niet slagen.
4.10.
Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank niet vast staat dat [gedaagde] te goeder trouw was toen zij de auto verkreeg (voorwaarde iv). De manier van aanbieden van de auto was volgens de rechtbank een aanwijzing dat [eiseres] (en niet [naam 3] ) op het moment van overdracht van de auto rechthebbende was. Het kenteken stond immers op naam van [eiseres] en de auto is overgeschreven en geleverd door [naam 1] en [eiseres] . [gedaagde] wist dit, want zij heeft de overschrijving en overdracht zelf met hen geregeld. [naam 3] heeft met de feitelijke overschrijving en overdracht van de auto geen bemoeienis gehad. Daarom lag het niet zonder meer voor de hand dat [eiseres] de auto niet namens zichzelf, maar namens [naam 3] aan haar overdroeg. [gedaagde] licht toe dat zij daar wel vanuit ging omdat [naam 3] haar had verzekerd dat “alles geregeld was”. Ter zitting heeft [gedaagde] daaraan toegevoegd dat zij niet wist wat [naam 3] en de [naam 1] precies hadden geregeld of afgesproken, en dat ze daarnaar ook niet heeft gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank had zulk onderzoek wel van [gedaagde] mogen worden verlangd. [gedaagde] kreeg immers een kostbare auto op naam, zonder dat vast staat dat zij daarvoor (zelf) een tegenprestatie heeft geleverd.
Tussenconclusie: [eiseres] is eigenaar van de auto gebleven
4.11.
Het verweer van [gedaagde] dat zij de auto heeft verkregen te goeder trouw, slaagt dus niet. Omdat ook geen andere titel voor verkrijging door [gedaagde] is gesteld, leidt dit tot de conclusie dat [eiseres] eigenaar van de auto is gebleven.
De gevorderde last tot teruggave en dwangsom worden toegewezen
4.12.
[gedaagde] houdt de auto zonder recht of titel onder zich. De rechtbank zal de door [eiseres] gevorderde teruggave van de auto daarom toewijzen. Dit betekent dat [gedaagde] de auto met sleutel en papieren aan [eiseres] moet afgeven en moet meewerken aan overschrijving van het kenteken naar [eiseres] .
4.13.
De gevorderde dwangsom zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen omdat de rechtbank van belang vindt dat er een stevige prikkel is om aan de hoofdveroordeling, namelijk het teruggeven van een relatief kostbare auto, te voldoen. Aan de dwangsom wordt een maximum gesteld van € 50.000,00. Hoewel [gedaagde] ter zitting niet heeft willen zeggen waar de auto nu is, zijn er wel aanwijzingen dat de auto zich in [land] bevindt. Daarom acht de rechtbank een termijn voor teruggave van 7 dagen te kort en zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] de auto binnen 30 dagen na dit vonnis moet teruggeven.
De gevorderde vervangende schadevergoeding wordt afgewezen
4.14.
[eiseres] heeft onder (iii) van het petitum een schadevergoeding gevorderd voor het geval [gedaagde] de auto niet wil of kan teruggeven. Aan deze (voorwaardelijke) vordering is geen concrete termijn gekoppeld. Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] de auto niet wil of kan teruggeven, en de aan de last tot teruggave gekoppelde dwangsom al een prikkel voor nakoming van dit vonnis vormt, heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen belang bij de gevorderde schadevergoeding. Deze wordt daarom afgewezen.
Beslagkosten
4.15.
De door [eiseres] gevorderde beslagkosten zal de rechtbank toewijzen op grond van artikel 706 Rv Pro. De beslagkosten worden vastgesteld op € 298,35 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.290,00), totaal € 1.919,35.
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten is niet weersproken en wordt daarom toegewezen vanaf het moment van dagvaarding.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
131,00
(conform het petitum plus de gevorderde verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.899,45
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de auto zonder recht of titel onder zich houdt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om de auto binnen 30 dagen na de datum van dit vonnis aan [eiseres] te restitueren èn om vervolgens binnen diezelfde termijn alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten die ertoe leiden dat [eiseres] in het kentekenregister als houder van de auto wordt geregistreerd,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na ommekomst van de in 5.2 genoemde termijn niet aan beide aldaar genoemde veroordelingen heeft voldaan, zulks tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.919,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.899,45, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 68,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op
20 mei 2026.