ECLI:NL:RBDHA:2026:14285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/686634 / FA RK 25-4331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie na verblijf kind bij vader

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk gezag over het kind uitoefenen. De moeder verbleef met het kind in het buitenland vanaf januari 2025, waarna het kind feitelijk bij de vader is gaan wonen. De vader verzoekt wijziging van de hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie.

De rechtbank constateert dat het kind sinds 21 januari 2025 grotendeels bij de vader verblijft en wijzigt de hoofdverblijfplaats naar de vader. De moeder heeft meerdere keren toegezegd terug te keren naar Nederland, maar dit niet nagekomen. De rechtbank stelt dat de hoofdverblijfplaats weer naar de moeder terugkeert indien zij zich binnen zes maanden blijvend in Nederland vestigt.

De kinderalimentatie van de vader wordt met ingang van 21 januari 2025 op nihil gesteld, omdat het kind bij hem verblijft. De moeder moet een minimale bijdrage van €25 per maand betalen, passend bij haar inkomen. De rechtbank legt ook vast dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten draagt en dat ouders afspraken maken over verblijfskosten bij oma. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van het kind wordt gewijzigd naar de vader en de kinderalimentatie van de vader wordt nihil gesteld, terwijl de moeder een minimale bijdrage van €25 per maand moet betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4331
Zaaknummer: C/09/686634
Datum beschikking: 29 april 2026

Hoofdverblijfplaats en alimentatie

Beschikking op het op 5 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. M.S. Odink en mr. E.A. Breetveld, nu mr. T.Y. Tsang te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. El-Sharkawi te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen;
  • het verweerschrift van 4 augustus 2025 van de moeder;
  • het bericht van 5 januari 2026 van de vader;
  • het bericht van 18 februari 2026 van de moeder;
  • het bericht van 18 maart 2026, met bijlage, van de moeder.
De minderjarige [de minderjarige] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op
31 maart 2026. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [de minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Dit is op 1 april 2026, na de zitting, ontvangen.
Op 1 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door mr. R. Sarican (die de zaak voor mr. T.Y. Tsang waarneemt) en een tolk, de advocaat van de moeder. De moeder is niet in persoon op de zitting verschenen.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2021.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 18 oktober 2021 is – voor zover hier van belang – onder meer:
o de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
o bepaald dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
o een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat, zodra de vader over eigen woonruimte beschikt, [de minderjarige] bij de vader zal zijn eens per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur alsmede de helft van de schoolvakanties en (Islamitische) feestdagen;
o bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van
€ 124,- per maand zal betalen.
  • Uit het gezagsregister blijkt dat [de minderjarige] van 20 december 2018 tot 17 maart 2024 onder toezicht heeft gestaan van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
  • De moeder is op [datum 3] 2023 gehuwd met [naam] .
  • Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door vader te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 154,58 per maand.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – met compensatie van de kosten en uitvoerbaar bij voorraad – de beschikking van 18 oktober 2021 van de rechtbank Den Haag te wijzigen ten aanzien
van de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie en te bepalen dat:
[de minderjarige] met ingang van 21 januari 2025 de hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 21 januari 2025 nihil bedraagt; en,
de door de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 21 januari 2025
€ 25,- per maand bedraagt.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Vooraf
In de kerstvakantie 2024/2025 is [de minderjarige] samen met de moeder naar [land] gegaan. [de minderjarige] zou op 7 januari 2025 weer naar school gaan, maar hij was toen nog in [land] . De vader was op dat moment ook in [land] . Nadat de vader een bericht van de school van [de minderjarige] kreeg doorgestuurd waaruit bleek dat [de minderjarige] ongeoorloofd afwezig was, is de vader samen met [de minderjarige] terug naar Nederland gegaan. De moeder is in [land] gebleven. [de minderjarige] verblijft sinds 21 januari 2025 feitelijk bij de vader. De vader heeft (via zijn advocaat) een paar keer aan de moeder gevraagd om terug te keren naar Nederland. De moeder heeft steeds een reden – ziekte, zwangerschap, zwangerschapscomplicaties – aangedragen waardoor zij niet kon terugkeren. De moeder is in de periode november 2025 tot en met januari 2026 wel weer in Nederland geweest. In die periode woonde [de minderjarige] bij haar. De moeder is echter in januari 2026 of februari 2026 weer naar [land] vertrokken. De moeder stelt dat zij in februari 2026 in [land] is bevallen. Tot op heden is de moeder in [land] . [de minderjarige] verblijft op dit moment deels bij oma moederszijde en deels bij de vader. [de minderjarige] heeft wel telefonisch contact met de moeder.
Hoofdverblijfplaats
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] wordt gewijzigd omdat hij sinds
21 januari 2025 de zorg draagt voor [de minderjarige] . [de minderjarige] mist zijn moeder, dus de voorkeur is dat de moeder zo snel mogelijk terugkeert. Ondanks toezeggingen komt de moeder echter niet terug. Daarom moet er nu duidelijkheid komen, aldus de vader.
De moeder is het niet eens met wijziging van de hoofdverblijfplaats. Namens de moeder is tijdens de zitting gesteld dat zij voornemens is om, als zij een paspoort heeft voor haar baby, in april 2026 weer terug te keren naar Nederland. Het is de bedoeling van de moeder dat [de minderjarige] dan weer bij haar komt wonen.
De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige] woont sinds 21 januari 2025 grotendeels bij de vader, omdat de moeder in [land] verblijft. Hoewel de moeder nu stelt in april 2026 terug te keren naar Nederland, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat de moeder deze toezegging zonder meer nakomt. De moeder heeft al meerdere keren toegezegd terug te komen naar Nederland en dat vervolgens niet gedaan. Daarom vindt de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] moet worden gewijzigd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats met terugwerkende kracht te wijzigen, omdat [de minderjarige] in de periode november 2025 tot en met januari 2026 wel weer een paar maanden bij de moeder heeft gewoond toen zij terug was in Nederland. De rechtbank zal bepalen dat [de minderjarige] vanaf nu zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben. Wanneer de moeder zich binnen een half jaar na nu in Nederland vestigt – dus niet tijdelijk in Nederland komt verblijven, maar zich hier blijvend vestigt – gaat het hoofdverblijf weer terug naar de moeder.
De rechtbank wil de ouders wel het volgende meegeven. Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] zijn moeder mist. De vader erkent dit ook en heeft aangegeven dat het de voorkeur heeft dat de moeder zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland. De moeder heeft dit meermaals toegezegd, maar niet gedaan. De rechtbank vindt het belangrijk dat [de minderjarige] goed contact heeft met allebei zijn ouders en dat allebei de ouders er voor hem zijn. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] weet waar hij aan toe is. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat de moeder hem opheldering geeft over haar intenties.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid: wijziging van omstandigheden
In de echtscheidingsprocedure is door de ouders op de zitting afgesproken dat de vader
€ 124,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen. Deze kinderalimentatie is door de rechtbank opgenomen in de beschikking van 18 oktober 2021.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke beslissing of een overeenkomst worden gewijzigd als sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat [de minderjarige] sinds 21 januari 2025 feitelijk bij de vader (en oma moederszijde) woont. De rechtbank zal daarom de vader ontvangen in zijn verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging ertoe leidt dat de kinderalimentatie moet worden gewijzigd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 21 januari 2025 op nihil stellen, omdat [de minderjarige] vanaf dat moment grotendeels bij de vader heeft verbleven. De kosten die de moeder eventueel nog voor [de minderjarige] heeft betaald in de maanden dat zij weer in Nederland was en [de minderjarige] bij haar verbleef, heeft de moeder kunnen betalen van het kindgebonden budget en de kinderbijslag die zij tot op heden voor [de minderjarige] heeft ontvangen.
De rechtbank vindt het verder redelijk dat de moeder aan de vader een bijdrage gaat betalen voor [de minderjarige] . Gelet op het inkomen van de moeder (een Wajong uitkering van € 1.720,86 bruto per maand) is de minimale bijdrage volgens de draagkrachttabel van € 25,- per maand passend. De rechtbank zal deze kinderalimentatie vastleggen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat tijdens de zitting is gebleken dat de moeder tot op heden – al dan niet via oma – nog wel kosten van [de minderjarige] voor haar rekening heeft genomen. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen. Wat meer of anders is verzocht wordt afgewezen.
De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Het uitgangspunt is dat de ouder bij wie [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats heeft de verblijfsoverstijgende kosten (zoals schoolgeld, contributie voor sport en kleding) betaalt. Hiernaast betaalt iedere ouder zelf de verblijfkosten (voor wonen, eten, drinken, uitstapjes en vakanties) op het moment dat [de minderjarige] bij hem of haar is. Omdat [de minderjarige] nu zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben, moet de vader de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige] betalen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vader die kosten voor zijn rekening neemt, ook als [de minderjarige] feitelijk (tijdelijk) bij oma verblijft. Voor wat betreft de verblijfskosten bij oma gaat de rechtbank er vanuit dat de ouders hier samen met oma afspraken over maken.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
18 oktober 2021 – :
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
*
bepaalt dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats weer bij moeder zal hebben indien de moeder zich binnen zes maanden na heden blijvend in Nederland vestigt;
*
bepaalt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van
21 januari 2025 op nihil;
*
bepaalt dat de moeder aan de vader, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 25,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 april 2026.