ECLI:NL:RBDHA:2026:14293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/683910 / FA RK 25-2957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en verbod delen beeldmateriaal minderjarige op social media

Partijen zijn gehuwd sinds 2021 en hebben een minderjarig kind geboren in 2022. De rechtbank heeft op 27 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waaronder het toewijzen van de echtelijke woning aan de man en het plaatsen van het kind bij de grootouders onder toezicht van een gecertificeerde instelling.

De man verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder vaststelling van de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem, een zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling, een verbod aan de vrouw om zonder zijn schriftelijke toestemming beeldmateriaal van het kind op social media te plaatsen, en vervangende toestemming voor medische inschrijvingen en ziekenhuisbezoeken.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot echtscheiding toe. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de man vastgesteld, mede gelet op het contact en de woonplaats van de grootouders. De zorgregeling wordt onder regie van de gecertificeerde instelling vastgesteld vanwege de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling.

Het verbod op het delen van beeldmateriaal wordt toegewezen voor een periode van vijf jaar, zonder dwangsom, vanwege privacybelangen van het kind. Vervangende toestemming voor inschrijving bij huisarts, tandarts en consultatiebureau in de woonplaats van de grootouders wordt verleend, evenals toestemming voor ziekenhuisbezoeken begeleid door de pleegouders. Het verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap worden aangehouden tot 1 oktober 2026.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, bepaalt de hoofdverblijfplaats van het kind bij de man, legt de zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling en verbiedt de vrouw om zonder toestemming beeldmateriaal van het kind op social media te plaatsen voor vijf jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2957
Zaaknummer: C/09/683910
Datum beschikking: 29 april 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 18 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.J. Davidse in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A.F. Jansen in Rotterdam, voorheen: mr. O. Asscher in Amsterdam.
Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;
  • de brief van 12 september 2025 van de man;
  • de brief van 9 oktober 2025 van de man;
  • het bericht met bijlage van 16 december 2025 van de man;
  • het aanvullend verzoekschrift van 17 maart 2026 van de man;
  • het aanvullende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw.
Op 8 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man bijgestaan door zijn advocaat,
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat,
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming,
  • [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1] .
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
  • [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
  • [minderjarige] verblijft bij de ouders van de vrouw (opa en oma vz).
  • Deze rechtbank heeft op 27 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
  • de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , aan de man zal worden toevertrouwd;
  • de regie van de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] bij Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland zal liggen.
  • Bij beschikking van 18 augustus 2025 van de kinderrechter van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 augustus 2026.
  • Bij beschikking van 15 februari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleegzorg verlengd tot 18 juni 2026. Het verzoek van de gecertificeerde instelling is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting voor 18 juni 2026.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat de rechtbank in goede justitie een regeling zal bepalen;
  • verbod aan de vrouw om zonder uitdrukkelijke, schriftelijke toestemming van de man foto’s en/of filmpjes van [minderjarige] op social media te plaatsen, te verspreiden of openbaar te maken voor een periode van 10 jaar, althans een door de rechtbank te bepalen periode, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,-;
  • de vrouw te gelasten om binnen 7 dagen na betekening van de beschikking alle reeds geplaatste foto’s en/of filmpjes van [minderjarige] te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,-;
  • aan de man vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vrouw vervangt:
  • om [minderjarige] in te schrijven bij een huisarts in [plaats 3];
  • om [minderjarige] in te schrijven bij een tandarts in [plaats 3] voor reguliere controles;
  • om [minderjarige] in te schrijven bij een consultatiebureau in [plaats 3];
  • aan de man vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming van de vrouw vervangt, om in overleg met de pleegouders ziekenhuisbezoeken voor spoedeisende zorg of specialistische behandelingen door de pleegouders te laten begeleiden;
  • naar de rechtbank begrijpt, toewijzing van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2] tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man uit het aanvullend verzoekschrift onder randnummer 27 tot en met 38;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw, zelfstandig verzocht:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
  • vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.500,- netto per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, en te bepalen dat deze bijdrage jaarlijks zal worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 1:402a BW;
  • bepaling dat bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde, de overwaarde van de woning bij helfte dient te worden verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven en vereist in artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de ouders voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment niet mogelijk is om een door beide ouders akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw stelt in het verweerschrift dat zij het nog te vroeg vindt om een verzoek tot echtscheiding in te dienen.
De rechtbank overweegt dat indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Nu de man de echtscheiding verzoekt stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Beide ouders verzoeken om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen. De man voert daartoe aan dat hij een appartement heeft in de buurt van de opa en oma vz, en in de buurt van de toekomstige school van [minderjarige] . Als de machtiging tot uithuisplaatsing wordt beëindigd is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man. De vrouw is het daar niet mee eens. Volgens haar wordt er gewerkt aan terugplaatsing bij beide ouders en kan de rechtbank daarom nu geen beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Zodra de echtscheiding is afgewikkeld kan de vrouw immers over een andere woning beschikken waar [minderjarige] wel kan blijven slapen.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man bepalen, en overweegt daartoe als volgt. De gecertificeerde instelling heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de man en [minderjarige] in de weekenden contact met elkaar hebben, waarbij [minderjarige] één nacht bij hem blijft slapen. Daarnaast heeft de man in [plaats 4] een appartement gevonden voor onbepaalde tijd. De vrouw heeft daarentegen op dit moment onder begeleiding van de gecertificeerde instelling 1,5 uur contact met [minderjarige] en verblijft momenteel op een kamer.
Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat het contact met beide ouders uitgebreid zal worden, ligt het zwaartepunt van de contacten bij de man en is zij het met de gecertificeerde instelling eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man is. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Tijdens de mondelinge behandeling is uitgebreid stilgestaan bij het contact tussen de ouders met [minderjarige] . Op dit moment verblijft [minderjarige] middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar grootouders. Uit de beschikking van de verlening van de uithuisplaatsing van 15 februari 2026 volgt dat [minderjarige] sinds het verblijf bij haar grootouders sprongen in haar ontwikkeling heeft gemaakt. Ze heeft baat bij de rust en stabiliteit die door de grootouders wordt geboden. De man geeft aan positief te zijn over het verblijf van [minderjarige] bij de grootouders. Daarentegen heeft de vrouw ernstige bezwaren over het verblijf van [minderjarige] , doordat zij zelf traumatische ervaringen heeft door het opgroeien bij haar ouders waar volgens de vrouw sprake was van (psychische) mishandeling en seksueel misbruik.
De gecertificeerde instelling heeft op de zitting laten dat de grootouders van [minderjarige] recent zijn gescreend en dat er een heel uitgebreid netwerkonderzoek heeft plaatsgevonden. De geuite bezwaren door de vrouw zijn daar ook uitvoerig besproken. De pleegouders hebben de screening positief afgerond en hebben formeel ook de status als pleeggezin. De gecertificeerde instelling deelt de zorgen van de vrouw dan ook niet.
Zoals hierboven is te lezen heeft de man op dit moment in de weekenden contact met [minderjarige] , en de vrouw onder begeleiding van de gecertificeerde instelling 1,5 uur per week. De gecertificeerde instelling heeft laten weten dat zij een zorgaanbieder hebben gevonden die de contactmomenten kunnen gaan begeleiden en uitbreiden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment wordt onder begeleiding van de gecertificeerde instelling gewerkt aan het contact tussen de man, de vrouw en [minderjarige] . De rechtbank kan op dit moment geen zorgregeling vastleggen omdat het onduidelijk is hoe de uitbreiding van de contactmomenten de komende periode zal verlopen. Gelet op de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, acht de rechtbank het van belang dat de regie over de zorgregeling komt te liggen bij de gecertificeerde instelling, en zal dit dan ook opnemen in het dictum.
Verbod delen beeldmateriaal op social media
De man verzoekt om de vrouw te verbieden om foto’s en filmpjes van [minderjarige] op social media te plaatsen zonder zijn uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming. De vrouw plaatst namelijk foto’s en filmpjes van [minderjarige] met daarbij de vermelding dat ze autistisch is of verwijzingen naar de jeugdzorg. De man vindt dit niet in het belang van [minderjarige] en is van mening dat haar privacy gewaarborgd moet worden. De vrouw voert verweer. Zij vindt het belangrijk dat er geen geheim van wordt gemaakt dat [minderjarige] een heftige vorm van autisme heeft. Bovendien heeft de vrouw een privé-account op Instagram waarop alleen haar vrienden en familie zitten. De vrouw deelt verder ook niets over de therapie of behandelingen van [minderjarige] .
De raadsvertegenwoordiger heeft op zitting benoemd dat het goed is dat er duidelijkheid komt op dit punt omdat het anders een discussiepunt blijft tussen de ouders.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw niet zonder schriftelijke toestemming van de man foto’s en filmpjes op social media mag plaatsen van [minderjarige] . De rechtbank bepaalt dit omdat uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw de neiging heeft om op social media veel aandacht te besteden aan de autistische stoornis van [minderjarige] . De privacy van [minderjarige] is hiermede in het geding en dit is gelet op haar jeugdige leeftijd en de ontwikkeling die zij nog door gaat maken niet in haar belang. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat het niet nodig is omdat het een privé-account op Instagram betreft, omdat het niet te achterhalen is of het beeldmateriaal daadwerkelijk niet gedeeld wordt met anderen. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij wel bereid is om de foto’s en/of filmpjes die zij wil plaatsen voor te leggen aan de man. Omdat de rechtbank met de Raad van oordeel is dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt op dit punt, zal zij – gelet op het aanbod van de vrouw – het verzoek van de man toewijzen.
De man heeft verzocht om een termijn van tien jaar te verbinden aan het verbod. Gelet op de maatschappelijke opvattingen en regelgeving over privacy die in ontwikkeling zijn, acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om voormeld verbod aan de vrouw voor deze periode op te leggen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [minderjarige] op enig moment ook zelf in staat is om gedachten te vormen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de beslissing geldt voor een periode van vijf jaar. Het staat de ouders uiteraard vrij om in de tussentijd andere samen afspraken te maken.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan het verbod. De vrouw heeft immers zelf op de zitting het aanbod gedaan om de foto’s en/of filmpjes voor te leggen aan de man. De rechtbank gaat er daarom ook vanuit dat de vrouw zich hier aan zal houden.
Vervangende toestemming inschrijving huisarts, tandarts en consultatiebureau
De man verzoekt vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij de huisarts, tandarts en consultatiebureau in [plaats 3]. De reden hiervoor is dat [minderjarige] (middels een machtiging uithuisplaatsing) bij haar grootouders verblijft in [plaats 3]. De man is van mening dat de afstand tussen [plaats 2] , waar de oude huisarts van [minderjarige] zit, en [plaats 3] te groot is om bij acute situaties snel te handelen. De man weet dat de vrouw (net als de man) niet meer in [plaats 2] woont en alleen onder begeleiding contact heeft met [minderjarige] . Toch blijft de vrouw zonder enige onderbouwing haar toestemming weigeren. Ten aanzien van de tandarts en het consultatiebureau voert de man aan dat het van belang is dat de grootouders [minderjarige] hiermee naar toe kunnen nemen.
De vrouw voert verweer. Zij is van mening dat de overstap naar een huisarts in [plaats 3] niet noodzakelijk is. Zodra de machtiging uithuisplaatsing niet meer nodig is, zal [minderjarige] namelijk terugkeren naar de ouders. Daarnaast is de huidige huisarts in [plaats 2] al sinds haar geboorte betrokken, ook bij de onderzoeken rondom haar autisme diagnose.
De rechtbank zal de vervangende toestemming verlenen voor de huisarts, de tandarts en het consultatiebureau. Ten aanzien van de huisarts overweegt de rechtbank dat de in het verzoek genoemde huisarts ook de grootouders (tevens pleegouders) van [minderjarige] in zijn praktijk heeft. De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige] naar een huisarts kan gaan in de buurt waar zij feitelijk verblijft. Op de zitting is door de gecertificeerde instelling geopperd dat de vrouw wellicht kan kennismaken met de huisarts zodra [minderjarige] is ingeschreven. Aan het verweer van de vrouw dat de huisarts in [plaats 3] niet geschikt is vanwege de grootouders, gaat de rechtbank voorbij. Zoals onder het kopje zorgregeling te lezen is, zijn de grootouders gescreend door de gecertificeerde instelling en heeft er een uitgebreid netwerkonderzoek plaatsgevonden.
Voor het inschrijven van [minderjarige] bij een tandarts heeft de vrouw op de zitting haar toestemming gegeven, maar zij wil wel graag betrokken worden bij de afspraken. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw, net als de man, door de grootouders van [minderjarige] op de hoogte gehouden worden over medische aangelegenheden, dus ook de afspraken bij de tandarts. De rechtbank zal zekerheidshalve de vervangende toestemming verlenen.
Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , acht de rechtbank het ook van belang dat zij wordt ingeschreven bij het consultatiebureau in de buurt van haar grootouders.
Vervangende toestemming voor begeleiding [minderjarige] door pleegouders bij ziekenhuisbezoek voor spoedeisende zorg of specialistische behandeling
De man verzoekt tevens vervangende toestemming zodat de grootouders met [minderjarige] voor spoedeisende of specialistische zorg naar het ziekenhuis kunnen. De vrouw is van mening dat het niet nodig is om daar vervangende toestemming voor te vragen. Zo gaan de grootouders van [minderjarige] naar de spoedeisende hulp als dat nodig is. Bovendien is de afgelopen tijd gebleken dat de grootouders wel met [minderjarige] naar het ziekenhuis gaan maar dat de vrouw hier te laat over wordt geïnformeerd.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen, en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht het van belang dat de grootouders [minderjarige] kunnen vergezellen bij ziekenhuisbezoek gelijk zoals de gezaghebbende ouder dat zou kunnen doen, temeer nu [minderjarige] afhankelijk is van (specialistische) hulpverlening door haar autisme.
Voortgezet gebruik van de echtelijke woning
De man verzoekt om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen voor de duur van zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Gebleken is dat de echtelijke woning verkocht en geleverd is aan een derde op 2 april 2026. De man heeft inmiddels een nieuwe woning in [plaats 4]. De rechtbank is van oordeel dat de man daarom geen belang meer heeft bij het verzoek.
Partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap
De vrouw heeft in haar aanvullende verweerschrift van 1 april 2026 (in de avond) een zelfstandig verzoek tot partneralimentatie ingediend. De man heeft op de zitting aangegeven een nadere verweertermijn te willen, nu het verzoek vlak voor de zitting is ingediend. De vrouw heeft op haar beurt verzocht om het verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap aan te houden. De man heeft hiermee ingestemd op de zitting.
De rechtbank zal gelet hierop, de verzoeken tot partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap aanhouden tot 1 oktober 2026 pro forma. Op deze manier wordt de man de mogelijkheid geboden om een verweerschrift in te dienen ten aanzien van de partneralimentatie, en krijgen de ouders tegelijkertijd de mogelijkheid om samen afspraken te maken over de financiële afwikkeling van het huwelijksvermogen. Nu de echtelijke woning reeds verkocht is aan een derde, hebben de ouders afgesproken dat zij een depotrekening zullen openen waarop zij het deel van de overwaarde waarvan de verdeling nog in geschil is zullen onderbrengen. De rechtbank zal deze afspraak niet opnemen in het dictum, maar gaat er wel vanuit dat de ouders zich hier aan zullen houden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [plaats 1] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
*
bepaalt dat onder regie van de gecertificeerde instelling een zorgregeling zal worden vastgesteld;
*
verleent toestemming aan de man – welke toestemming die van de vrouw vervangt – om [minderjarige] in te schrijven bij een huisarts, tandarts en consultatiebureau in [plaats 3];
*
verleent toestemming aan de man – welke toestemming die van de vrouw vervangt – om de pleegouders [minderjarige] te laten begeleiden, gelijk gezaghebbende ouders, bij ziekenhuisbezoeken voor spoedeisende zorg en specialistische behandeling in het ziekenhuis;
*
verbiedt de vrouw om gedurende de vijf jaar vanaf de datum van deze beschikking om zonder schriftelijke toestemming van de man beelden op social media van [minderjarige] te plaatsen;
*
wijst het verzoek ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning af wegens gebrek aan belang;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat partijen zich uiterlijk op de pro forma datum uitlaten over de stand van zaken en het gewenste verloop van de procedure;
*
houdt iedere beslissing aan
ten aanzien van de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschaptot
1 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.