Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702882 / FA RK 26-3431
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg voor zes maanden

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 een beschikking gegeven op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene, geboren in 1962, lijdt aan een depressieve stoornis die leidt tot ernstig nadeel, waaronder ernstige zelfverwaarlozing, verergering van depressieve klachten, gevaarlijk gedrag in de thuissituatie en verhoogd risico op suïcidaliteit.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij betrokkene niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door haar advocaat, is gebleken dat betrokkene zich verzet tegen opname en verplichte zorg, maar wel bereid is tot ambulante behandeling. De psychiater en casemanager gaven aan dat opname de laatste optie is en dat medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. De rechtbank concludeerde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat verplichte zorg noodzakelijk, evenredig en effectief is.

De rechtbank heeft daarom de zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, waarbij onder meer medicatie, medische controles, beperkingen in de vrijheid en opname in een accommodatie kunnen worden opgelegd. De machtiging geldt ook voor aanvullende maatregelen bij decompensatie van het toestandsbeeld. Het verzoek tot meer of andere maatregelen is afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden voor verplichte geestelijke gezondheidszorg aan betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/702882 / FA RK 26-3431
Datum beschikking: 29 april 2026

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Vrijhof te Rotterdam.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 8 april 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 1 april 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 15 december 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 7 april 2026;
- een brief van de officier van justitie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft;
- een eigen plan van aanpak van 13 maart 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek zou aanvankelijk plaatsvinden op 21 april 2026. Op 16 april 2026 heeft de advocaat van betrokkene per e-mail laten weten dat betrokkene niet akkoord gaat met de zorgmachtiging en dat zij niet ter zitting zal verschijnen. De behandeling van het verzoek is aangehouden om betrokkene in de gelegenheid te stellen om gedurende een huisbezoek alsnog te worden gehoord.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft vervolgens plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de psychiater, [naam 2] ;
- de casemanager, [naam 3] ;
- de echtgenoot van cliënt.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft naar voren gebracht niet opgenomen te willen worden. Zij heeft last van somatische klachten, maar niet van psychische klachten.
De advocaat heeft naar voren gebracht dat betrokkene zich verzet tegen opname, maar dat zij wel bereid is om mee te werken aan behandeling in het ambulante kader.
De psychiater heeft naar voren gebracht dat het doel is om tot een medicamenteuze behandeling te komen die aanslaat. Als dat niet lukt, zal er worden overgegaan tot ECT-behandeling. Opname is de laatste optie en is momenteel nog niet aan de orde. Er is bij betrokkene geen sprake van ziektebesef en -inzicht.
De casemanager heeft naar voren gebracht dat betrokkene ambivalent is ten aanzien van de geboden zorg.
De echtgenoot van betrokkene heeft naar voren gebracht dat het toestandsbeeld sinds een jaar is verslechterd. Betrokkene heeft geen vertrouwen in de GGZ.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een depressieve stoornis.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Betrokkene kwam kort geleden weer in beeld via de huisarts en de crisisdienst wegens verergering van depressieve klachten met gevaarlijk gedrag in de thuissituatie. Er is sprake van verbaal en fysiek dreigend gedrag jegens partner. Betrokkene uit zich met herhaling negatief over haar kleindochter. Zij wil niet zonder kleindochter maar zegt soms ook dat haar kleindochter dood zou moeten zijn. Er is sprake van ernstige zelfverwaarlozing, waarbij betrokkene achteruitgaat in persoonlijke verzorging en dagelijks functioneren. Verder trekt betrokkene zich terug en is zij onvoldoende in staat om structuur aan te brengen in het dagelijks leven. Zij is thuis grotendeels inactief en verblijft een groot deel van de dag in bed. De huidige toestand kan agressie oproepen bij anderen. Daarnaast is er sprake van zorgwekkende somatische problematiek, waarvoor onvoldoende aandacht en zorg wordt gezocht. Als laatste is er sprake van een verhoogd risico op suïcidaliteit.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint, de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene verzet zich tegen het verlenen van zorg die noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. Betrokkene ziet de noodzaak van de behandeling niet in. Zij ontkent psychiatrisch ziek te zijn. Er is sprake van hevige weerstand tegen een opname. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg zonder meer noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.
Voor toewijzing van ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht’ bestaat geen aanleiding nu niet aannemelijk is dat die vormen van verplichte zorg noodzakelijk zullen zijn.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
en daarnaast ook de volgende maatregelen indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 29 oktober 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.