Uitspraak
Verbetering van een beschikking
[de vader],
[de moeder],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
Procedure
Verzoek en verweer
Beoordeling
Beslissing
de zorgregelingaan tot
1 augustus 2026
Rechtbank Den Haag
In deze zaak verzocht de vader de rechtbank om de beschikking van 4 maart 2026 aan te vullen met een uitvoerbaar bij voorraad verklaring, omdat de rechtbank volgens hem verzuimd had hierover te beslissen. De moeder betwistte dat er sprake was van een verzuim en stelde dat het niet uitvoerbaar verklaren voortvloeide uit de aard van de beslissing.
De rechtbank oordeelde dat zij inderdaad verzuimd had te beslissen over het verzoek van de vader en dat het van belang is dat de voorlopige zorgregeling onmiddellijk kan worden uitgevoerd. De voorwaarden voor uitvoering worden beoordeeld door de gecertificeerde instelling, wat de uitvoerbaarheid niet in de weg staat.
De rechtbank verbeterde daarom de beschikking van 4 maart 2026 door deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en stelde een concrete voorlopige zorgregeling vast waarbij de minderjarige om de week bij de vader verblijft onder voorwaarden van een stabiele woonsituatie. Ook werd geregeld dat het ophalen en terugbrengen van de minderjarige bij de moeder voorlopig door een derde gebeurt, met uitzondering van het ophalen op school door de vader zelf.
De overige onderdelen van de beschikking van 4 maart 2026 blijven ongewijzigd. De beschikking is uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026 door rechter G. van Zeben-de Vries, tevens kinderrechter.
Uitkomst: De rechtbank verbeterde de beschikking van 4 maart 2026 door deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en stelde een voorlopige zorgregeling vast voor de minderjarige.