ECLI:NL:RBDHA:2026:1434
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie heeft op 25 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 15 december 2025, waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden.
In deze procedure beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 9 december 2025 nog rechtmatig is. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, waarbij hij stelt dat het terugkeerbesluit van 31 december 2021 alleen ziet op Libië en niet op Marokko of Algerije. De rechtbank stelt vast dat op 24 oktober 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd dat ook Marokko en Algerije omvat.
De rechtbank overweegt dat de minister op basis van aanknopingspunten mag onderzoeken uit welk land de vreemdeling afkomstig is en een laisser-passer kan aanvragen. De minister heeft volgens de rechtbank voldoende aanknopingspunten om ook Marokko en Algerije te betrekken bij het uitzettingstraject. De rechtbank ziet geen nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel trekken en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.