Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/607402 / FA RK 21-1008
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling vader met minderjarige wegens belang kind

De vader verzocht in januari 2021 om vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, medegezag en een omgangsregeling. De erkenning werd in september 2022 verleend, maar het verzoek tot medegezag en omgang werd aangehouden in afwachting van een specialistische gezinsbehandeling.

De Raad voor de Kinderbescherming concludeerde in augustus 2024 dat het belang van het kind zich niet verzet tegen omgang, maar dat er op dat moment geen mogelijkheden waren voor contactherstel vanwege de gezinsproblematiek en het lopende behandeltraject. De behandeling bij Beter Thuis werd in januari 2026 afgerond.

Op de zitting bevestigde de vader zijn verzoek tot omgang, ondanks twijfels over het tijdsverloop, terwijl de moeder contactopbouw op dit moment niet wenselijk achtte vanwege de kwetsbaarheid van het kind en de gemoedstoestand van de vader. De rechtbank oordeelde dat contactopbouw veel van het kind zou vergen en niet in haar belang is, en wees het verzoek af.

De rechtbank benadrukte het belang dat de vader op de hoogte blijft van het leven van het kind en dat de moeder daartoe verplicht is. Tevens is afgesproken dat de vader af en toe een kaartje zal sturen dat de moeder met het kind zal delen. De beslissing werd toegelicht in een brief aan het kind.

Uitkomst: Verzoek vader tot omgangsregeling met minderjarige wordt afgewezen wegens het belang van het kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 21-1008
Zaaknummer: C/09/607402
Datum beschikking: 30 april 2026

Omgang

Beschikkingop het op 13 januari 2021 bij de rechtbank Rotterdam en vervolgens op 2 februari 2021 op de griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek van:

[de vader]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.E.M.J. van Poppel te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer.

Procedure

Bij beschikking van 11 maart 2025 van deze rechtbank is het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten afgewezen en is iedere verdere beslissing ter zake van de omgangsregeling en de proceskosten aangehouden tot 1 december 2025 pro forma, in afwachting van de voortgang van de behandeling van [minderjarige].
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van de moeder van 19 januari 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de vader van 19 januari 2026;
  • het F9-formulier van de vader van 24 februari 2026;
  • het F9-formulier van de moeder van 26 maart 2026, met bijlage;
  • het F9-formulier van de moeder van 27 maart 2026, met bijlage;
  • het F9-formulier van de vader van 30 maart 2026, met bijlage.
Op 2 april 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Aanvullende feiten

  • De vader heeft [minderjarige] erkend op 24 maart 2023.
  • Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 3 december 2025 is de beschikking van de rechtbank van 11 maart 2025 bekrachtigd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Omgang
Stand van zaken
In januari 2021 heeft de vader verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen, om te bepalen dat hij voortaan mede met het gezamenlijk gezag wordt belast en om een omgangs-/zorgregeling vast te stellen. Bij beschikking van 20 september 2022 heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Daarnaast zijn de ouders doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling en is iedere verdere beslissing over het gezamenlijk gezag, de omgangs-/zorgregeling en de proceskosten aangehouden tot 1 maart 2023 pro forma. Op 24 april 2023 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) een negatieve terugmelding ontvangen van Jeugdformaat dat het traject ouderschapsbemiddeling niet is gestart. In augustus 2023 zijn de moeder en [minderjarige] gestart bij Beter Thuis voor integrale specialistische gezinsbehandeling. De moeder heeft samen met Beter Thuis besloten dat er naast dit traject geen ruimte was voor een traject Ouderschap Blijft met contactherstel bij Jeugdformaat. De Raad heeft de rechtbank op 5 maart 2024 bericht dat de Raad aanleiding ziet om een onderzoek te doen.
In het raadsrapport van 27 augustus 2024 concludeert de Raad dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen omgang met de vader. De Raad ziet echter op dat moment, gelet op de gezinsproblematiek, de gezinsgeschiedenis en de actuele stand van zaken geen mogelijkheden voor contactherstel. Het traject bij Beter Thuis is dan nog volop bezig en het verhaal over haar afstamming is nog niet aan [minderjarige] verteld. De Raad adviseert om, indien mogelijk en haalbaar, de vader (op de achtergrond) bij de behandeling van [minderjarige] te betrekken. In dat verband beveelt de Raad ook aan dat de vader psycho-educatie krijgt rondom de problematiek van [minderjarige].
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen. Het verzoek tot de vaststelling van een omgangsregeling is aangehouden tot 1 december 2025 pro forma, omdat alle betrokkenen het erover eens waren dat de behandeling [minderjarige] (en de moeder) bij Beter Thuis moest worden afgerond, voordat contact(opbouw) kon plaatsvinden. Ook is afgesproken dat de behandelaar van [minderjarige] informatie aan de vader zou geven over de behandeling van [minderjarige].
Uit het eindverslag van Beter Thuis, zoals overgelegd door de moeder bij haar F9-formulier van 19 januari 2026, blijkt dat het traject inmiddels is afgerond. De behandelaar van [minderjarige] heeft in april 2025 contact gehad met de vader om uitleg te geven over de behandeling van [minderjarige]. Dit is niet gelukt, omdat de vader in het gesprek met de behandelaar verward overkwam.
Er is nog altijd geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige]. De vraag die nu nog voorligt is of er alsnog een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] moet worden vastgesteld.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is er met de ouders gesproken over deze stand van zaken. De vader heeft bevestigd dat het ten tijde van zijn contact met de behandelaar van [minderjarige] niet goed met hem ging, maar heeft aangegeven dat het inmiddels al langere tijd weer goed met hem gaat. Hij heeft op de zitting zijn twijfels geuit over de vraag of, gelet op het tijdsverloop, contact(opbouw) nog in het belang van [minderjarige] is. Tegelijkertijd heeft hij gewezen op de conclusie van de Raad dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen omgang met de vader. Gelet op die conclusie en het feit dat het al langere tijd goed gaat met hem handhaaft hij zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
De moeder heeft aangegeven contact(opbouw) op dit moment niet in het belang van [minderjarige] te achten. Daarbij heeft zij gewezen op de conclusies in het eindverslag van Beter Thuis. Daarin wordt aangegeven dat Beter Thuis betwijfelt of contact op dit moment wenselijk is, gelet op de gemoedstoestand van de vader. Volgens Beter Thuis moet de vader traumasensitief kunnen reageren en zijn eigen impulsen en emoties goed kunnen reguleren. Dit vergt volgens Beter Thuis aanpassingen in de manier waarop de vader contact zoekt en [minderjarige] benadert. Gelet op dit verslag is de moeder van mening dat het aan de vader is om stappen te zetten, voordat überhaupt gekeken kan worden naar (een vorm van) omgang. Verder heeft de moeder verwezen naar een door haar overgelegd briefje van [minderjarige], waarin [minderjarige] heeft aangegeven dat zij bang is voor de vader en dat zij het eng vindt om hem te zien.
Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, constateert de rechtbank dat [minderjarige] een meisje met een bovengemiddelde opvoedbehoefte is. De behandeling bij Beter Thuis is weliswaar afgerond, maar er is vanuit school wel een advies gegeven voor een nader onderzoek naar de problematiek van [minderjarige]. Gelet op haar leeftijd en kwetsbaarheid, in combinatie met het feit dat er al langere tijd geen contact is, zal contact(opbouw) met de vader veel van [minderjarige] vergen. De rechtbank is van oordeel dat dat op dit moment niet in haar belang is. Dit maakt dat de rechtbank voor nu geen ruimte ziet om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
Dat neemt niet weg dat het belangrijk is dat de vader op de hoogte blijft van het leven en de ontwikkeling van [minderjarige]. De moeder heeft immers ook aangegeven te zijner tijd wel achter contact(opbouw) te staan. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder zal bijdragen aan eventueel toekomstig contact(opbouw) door de vader regelmatig informatie over [minderjarige] te (blijven) sturen. Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b van het Burgerlijk Wetboek is zij daartoe ook verplicht.
In dit kader is op de zitting ook besproken dat de vader af en toe een kaartje aan [minderjarige] zal sturen bij belangrijke gebeurtenissen in haar leven. De moeder heeft toegezegd dat zij deze kaartjes met [minderjarige] zal delen.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om de beslissing aan haar uit te leggen. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.
Beste [minderjarige],
Wij hebben elkaar niet gesproken, maar ik heb wel jouw brief gelezen. In de brief schrijf je dat je je vader niet wil zien en waarom niet. Je hebt ook een mooie tekening gemaakt. Je moeder heeft je denk ik verteld dat je vader jou graag wil zien en dat de rechter erover gaat beslissen. Ik heb nu een beslissing genomen en daarom schrijf ik deze brief.
Ik heb gelezen en gehoord dat er vroeger veel is gebeurd tussen je moeder en je vader en ook met jou. Ik weet ook dat de situatie van je moeder en jou nu niet altijd makkelijk is. Om het niet nog ingewikkelder voor jullie te maken, heb ik beslist dat er niet ook nog contact met je vader bij gaat komen. Er komt nu dus geen regeling.
Ik vind het wel belangrijk om je te laten weten dat je het altijd mag zeggen tegen je moeder als je in de toekomst toch contact met je vader wil. Je moeder heeft gezegd dat ze jou daar dan bij zal helpen. Weet in ieder geval dat je vader dat graag wil. Hij wil het beste voor jou. Ik heb met hem en je moeder afgesproken dat hij je af en toe een kaartje zal sturen. Die zal je moeder dan samen met je lezen. Zo weet je dat je vader aan je denkt.
Dank je wel voor je brief. Ik wens je een mooie toekomst.
Als laatste laat ik je nog weten dat ik deze brief ook in de beslissing voor je ouders heb gezet, zodat zij allebei weten wat ik jou heb geschreven.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 april 2026.