ECLI:NL:RBDHA:2026:1436
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 28 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig tot het sluiten van het onderzoek op 16 december 2025.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds dat moment nog rechtmatig is. Eiser voerde aan dat de bewaring niet langer dan toegestaan mocht duren volgens artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, dat er geen zicht was op overdracht aan Kroatië, en dat de maatregel disproportioneel was gezien zijn medische situatie.
De rechtbank oordeelt dat de termijn van twee maanden voor bewaring in eisers situatie niet is overschreden en dat de minister voldoende voortvarend handelt, ondanks een geannuleerde vlucht vanwege overmacht. Het zicht op overdracht aan Kroatië ontbreekt niet, ook al is de naam van de arts in Kroatië niet bekend en loopt er nog een asielprocedure. De medische situatie van eiser is reeds beoordeeld en vormt geen reden voor opheffing van de maatregel.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.