ECLI:NL:RBDHA:2026:1436
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toetsing van de maatregel van bewaring in het kader van de Dublinverordening met betrekking tot de medische situatie van de eiser
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die aan de eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en was al eerder getoetst in een eerdere uitspraak van 22 december 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 20 januari 2026, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was, maar de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 16 december 2025. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de maatregel sindsdien nog rechtmatig is. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan zijn uitzetting, vooral na de annulering van een vlucht op 7 januari 2026. De rechtbank oordeelde echter dat de annulering te wijten was aan overmacht en dat er inmiddels een nieuwe vlucht was gepland op 26 januari 2026, wat voldoende voortvarendheid aantoont.
Daarnaast heeft de rechtbank de vraag behandeld of er zicht is op overdracht aan Kroatië. Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht was op overdracht, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende informatie had verstrekt over de overdracht aan een arts in Kroatië. Tot slot heeft de rechtbank de medische situatie van eiser in overweging genomen, maar oordeelde dat deze niet disproportioneel was in het kader van de maatregel van bewaring. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.