ECLI:NL:RBDHA:2026:14381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/671361 / FA RK 24-6023
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling zorg en kinderalimentatie na beëindiging relatie ouders

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling en wijziging van de kinderalimentatie voor hun minderjarige kind na beëindiging van de relatie met de moeder.

De rechtbank bevestigde dat het gezag gezamenlijk is en stelde een haal- en brengregeling vast waarbij de ouder die het kind het laatst heeft, het kind naar de andere ouder brengt. De verdeling van vakanties en feestdagen werd vastgesteld conform het voorstel van de vader, inclusief een regeling voor de zomervakantie waarbij het kind drie weken aaneengesloten bij elke ouder verblijft. Tevens werd bepaald dat het kind tijdens vakanties twee keer per week met de andere ouder belt.

Met betrekking tot de kinderalimentatie werd rekening gehouden met de samenloop van onderhoudsverplichtingen voor meerdere kinderen uit verschillende relaties en het geregistreerd partnerschap van de vader. De draagkracht van de vader, moeder en diens partner werd berekend en de alimentatie vastgesteld op €167 per maand met ingang van 1 mei 2026. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling en kinderalimentatie vast, waarbij de vader vanaf 1 mei 2026 €167 per maand aan kinderalimentatie betaalt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6023
Zaaknummer: C/09/671361
Datum beschikking
:30 april 2026

Zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikkingop het op 10 juli 2024 bij de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I. van Troost te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kara te Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van 8 december 2025 heeft deze rechtbank – voor zover hier van belang – :
  • bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
  • bepaald – met wijziging van het ouderschapsplan van 10 november 2023 – dat [minderjarige 1] bij de vader zal verblijven:
­ de ene week van vrijdag 19.00 uur tot dinsdag naar school en op woensdag uit school tot 19.00 uur;
­ de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school en op woensdag uit school tot 19.00 uur;
  • bepaald dat de vader met ingang van 1 december 2025 voorlopig weer het in het ouderschapsplan overeengekomen bedrag aan kinderalimentatie van € 230,75 per maand aan de moeder zal gaan betalen;
  • partijen doorverwezen naar een voor hen bekende mediator om hun onderlinge communicatie te verbeteren en om te proberen afspraken te maken over een regeling voor de vakanties en feestdagen en de kinderalimentatie,
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van de regeling voor de vakanties en feestdagen, de kinderalimentatie en de proceskosten pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation.
De rechtbank heeft nu ook kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het F9-formulier met bijlagen van 2 april 2026, van de vader;
  • het F9-formulier van 8 april 2026, van de moeder;
  • het F9-formulier met bijlagen, van 10 april 2026, van de moeder.
Op 13 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- de e-mail van 15 april 2026 met bijlagen, van de vader.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] .
  • De vader is ook de vader van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats]
  • De vader heeft sinds 8 januari 2026 een geregistreerd partnerschap met mevrouw [naam] (hierna: partner van de vader).
  • De vader en mevrouw [naam] zijn de ouders van [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2026.
  • Mevrouw [naam] is ook de moeder van:
­ [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2009;
­ [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2011.

Verzoek en verweerDe vader verzoekt na wijziging:

  • een regeling voor de vakanties en feestdagen vast te stellen, zoals omschreven in het petitum van zijn verzoekschrift;
  • vast te stellen dat de ouder bij wie [minderjarige 1] het laatst verbleef [minderjarige 1] naar de andere ouder brengt;
  • de kinderalimentatie te wijzigen, in die zin dat:
­ met ingang van 1 april 2024, althans per datum indiening verzoekschrift (8 juli 2024), € 127,- per maand wordt vastgesteld;
­ met ingang van 8 februari 2025 de kinderalimentatie vast te stellen op nihil;
­ met ingang van 23 februari 2026 de kinderalimentatie vast te stellen op nihil,
althans op een zodanig bedrag en ingangsdatum die de rechtbank juist acht,
met veroordeling van de moeder aan de vader terug te betalen hetgeen de vader per datum indiening verzoekschrift te veel aan kinderalimentatie heeft betaald, althans voor zover de rechtbank tot een te betalen bijdrage mocht komen dat de vader het recht heeft dat te verrekenen met zijn toekomstige onderhoudsverplichting,
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder nu nog zelfstandig:
- een regeling voor de vakanties en feestdagen vast te stellen zoals omschreven onder punt 22 van haar verweerschrift met zelfstandige verzoeken;
- de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie te bekrachtigen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Zorgregeling
De vader verzoekt de afspraak over het halen en brengen van [minderjarige 1] , die de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen, te bekrachtigen, in die zin dat de ouder bij wie [minderjarige 1] het laatst verbleef [minderjarige 1] naar de andere ouder brengt. De moeder geeft aan dat zij [minderjarige 1] nu met de auto brengt, maar binnenkort geen auto meer heeft vanwege de vele mankementen. Hierdoor zal zij [minderjarige 1] straks met het openbaar vervoer moeten brengen, wat een reistijd van een uur en vijftig minuten betekent. Daarnaast vindt zij de reiskosten hoog.
De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij de afspraak in het ouderschapsplan, aldus dat de ouder bij wie [minderjarige 1] het laatst verbleef [minderjarige 1] naar de andere ouder brengt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze haal- en brengregeling in vergelijkbare zaken vaak wordt toegepast. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder op dit moment over een auto beschikt, waar ze [minderjarige 1] mee kan vervoeren. Dat de moeder op termijn geen auto meer tot haar beschikking heeft, laat de rechtbank buiten beschouwing omdat dit een onzekere toekomstige omstandigheid betreft.
Verdeling feest- en vakantiedagen
De moeder gaat, met uitzondering van de verdeling van de zomervakantie, akkoord met het voorstel van de vader. Ten aanzien van de zomervakantie verzoekt de vader een regeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] eerst drie aaneengesloten weken bij de ene ouder verblijft en daarna drie aaneengesloten weken bij de andere ouder. Deze regeling geeft volgens de vader rust en duidelijkheid, omdat de wisselingen tussen de ouders dan beperkt zijn. Ook sluit deze regeling aan bij die van de (andere) (stief)kinderen van de vader. Verder wordt deze regeling de afgelopen twee jaar zonder problemen uitgevoerd. De moeder geeft aan dat zij deze verdeling onwenselijk vindt, omdat er tijdens het verblijf van [minderjarige 1] bij de ene ouder geen contact is met de andere ouder. De moeder stelt daarom een regeling voor waarbij [minderjarige 1] bij beide ouders twee aaneengesloten weken verblijft en vervolgens nog een week bij allebei de ouders. In het geval de rechtbank het verzoek van de vader toewijst verzoekt de moeder vast te stellen dat [minderjarige 1] twee keer per week een vast belmoment heeft met de andere ouder.
De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van de vader betreffende de verdeling van de feest- en vakantiedagen, inclusief de zomervakantie, toe te wijzen, zoals nader weergegeven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de regeling die de vader ten aanzien van de zomervakantie verzoekt de afgelopen twee jaar al is uitgevoerd en dat deze regeling het meest aansluit bij de gezinssituatie van de vader. Verder is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 1] oud genoeg is om drie aaneengesloten weken bij een ouder te verblijven. De rechtbank acht het wel in het belang van [minderjarige 1] dat hij tijdens zijn verblijf bij de ene ouder belcontact heeft met de andere ouder. De rechtbank zal daarom vaststellen dat tijdens de vakanties twee belmomenten plaatsvinden tussen [minderjarige 1] en de andere ouder. Het is aan de ouders om, in overleg met [minderjarige 1] , een vast moment en tijdstip voor deze belmomenten te bepalen. Tot slot is op de zitting besproken dat [minderjarige 1] op zijn verjaardag in 2026 bij de vader verblijft en het jaar daarop bij de moeder.
KinderalimentatieBij de vaststelling van de (definitieve) kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het Rapport) als uitgangspunt.
IngangsdatumDe rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de ingangsdatum 1 mei 2026 moet zijn. Partijen hebben daarbij afgesproken dat de nieuwe kinderalimentatie geen terugwerkende kracht heeft. Hierdoor bestaat geen verplichting voor één van beide ouders om kinderalimentatie terug te betalen aan de andere ouder over de periode voorafgaand aan de aanpassing.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van de onderhoudsverplichtingen. De vader is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , maar ook voor [minderjarige 2] , zijn zoon uit een eerdere relatie. Verder is hij ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] , het kind van de vader en zijn huidige partner, met wie hij een geregistreerd partnerschap heeft. Verder heeft de huidige partner van de vader samen met haar ex-partner twee kinderen, [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat de vader ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Dat blijkt uit de bepaling van artikel 1:395 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Daarin staat dat een stiefouder onderhoudsplichtig is voor zijn stiefkind, als dat stiefkind behoort tot het gezin van de ouder en de stiefouder, zolang het huwelijk of geregistreerd partnerschap bestaat. Nu er sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de vader en zijn huidige partner, heeft de vader ook ten aanzien van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] een onderhoudsplicht. Anders dan de moeder ziet de rechtbank geen aanleiding om [minderjarige 1] , ten opzichte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , voorrang te geven voor wat betreft de alimentatiebijdrage van de vader. De alimentatieverplichting van de stiefouder is niet ondergeschikt aan die van de ouders. De rechtbank benadrukt dat ook de juridische vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] moet bijdragen aan de kosten voor hen. Dit heeft echter geen invloed op de onderhoudsplicht van de vader. De partner van de vader is – mede gelet op het geregistreerd partnerschap tussen haar en de vader – onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de ouders in staat zijn om aan al hun onderhoudsverplichtingen te voldoen.
Er zijn verschillende methodes ten aanzien van de verdeling van draagkracht bij samengestelde gezinnen. De rechtbank zal de zuivere draagkracht van de vader en de moeder per gezin berekenen, in plaats van de afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de vader of de moeder een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de ouders tijdens hun samenleving worden bepaald.
[minderjarige 1]De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 1] aan de hand van de gegevens van partijen en tarieven van 2023-II, nu de relatie van partijen in september 2023 is geëindigd.
Voor de berekening van het NBI van de vader ten behoeve van de behoefteberekening zal de rechtbank uitgaan van een jaarinkomen van € 76.024,- in 2023, zoals volgt uit zijn jaaropgave 2023. De rechtbank merkt op dat in de jaaropgaaf een bedrag van € 10.000,- aan bonus is opgenomen, die de vader in februari 2023 heeft ontvangen, zoals blijkt uit zijn salarisspecificatie. Volgens de vader is deze bonus niet contractueel vastgelegd. De rechtbank gaat er echter wel van uit dat sprake is van een structurele bonus, nu de vader in 2023, 2024, 2025 en 2026 bonussen heeft ontvangen. Uit de stukken komt naar voren dat de hoogte van de bonus van jaar tot jaar verschilt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om bij de berekening rekening te houden met de hoogte van één bruto maandsalaris als bonusbedrag, aldus een bedrag van afgerond € 5.008,-. De rechtbank berekent het jaarinkomen van de vader dan op (76.024 minus 10.000 + 5.008 =) € 71.032,-. Rekening houdend met de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto van afgerond € 388,- per maand, zoals blijkt uit zijn salarisspecificaties van februari en december 2023, berekent de rechtbank het jaarinkomen van de vader in 2023 op afgerond
€ 66.376,-. De rechtbank houdt verder rekening met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. De rechtbank berekent het NBI van de vader op basis daarvan op € 3.788,- per maand. Zoals de rechtbank nader overweegt betaalt de vader een kinderalimentatie aan de moeder van [minderjarige 2] van € 210,- per maand, in 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de behoefteberekening van [minderjarige 1] rekening te houden met deze bijdrage, omdat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de vader in 2023 ook al een bijdrage voor [minderjarige 2] voldeed.
Voor de berekening van de behoefte van [minderjarige 1] houdt de rechtbank aan de zijde van de moeder rekening met een jaarinkomen van € 35.115,-, zoals volgt uit haar jaaropgaaf 2023.
De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank berekent het NBI van de moeder op € 2.453,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders bedraagt in 2023 dus (3.788 + 2.453 =) € 6241,- per maand. Het voorgaande leidt tot een behoefte van € 870,- per maand voor [minderjarige 1] in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 1.029,-.
[minderjarige 2]De vader is samen met zijn ex-partner onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] . Om te beoordelen of de vader in staat is om aan zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen, is het van belang om te weten wat de behoefte van [minderjarige 2] is en welk aandeel de vader daarin moet leveren. De rechtbank heeft onvoldoende gegevens om de behoefte van [minderjarige 2] te berekenen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vader in 2025 een kinderalimentatie van € 210,- per maand aan de moeder van [minderjarige 2] betaalde, zoals volgt uit de bankafschriften van september en oktober 2025. De rechtbank zal daarom geen behoefteberekening maken, maar zal bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening houden met voornoemde bijdrage.
[minderjarige 3]De vader is samen met zijn partner onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] . Bij de bepaling van het aandeel van de vader ten aanzien van [minderjarige 3] moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de huidige partner van de vader gehouden is om naar rato van draagkracht in die kosten bij te dragen. Daarom zal de rechtbank ook de draagkracht van de partner van de vader vaststellen, zoals hierna wordt toegelicht.
Voor de berekening van de behoefte van [minderjarige 3] gaat de rechtbank aan de zijde van de vader uit van een bruto inkomen van afgerond € 5.513,- per maand, zoals volgt uit zijn salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026. De rechtbank zal wederom uitgaan van één bruto maandsalaris als bonusbedrag, aldus een bedrag van afgerond € 5.513,-, zoals hiervoor overwogen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8% en met een pensioenpremie van afgerond € 174,- per maand. Voorts houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 4.288,-. Zoals hiervoor overwogen ziet de rechtbank aanleiding om ook bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening te houden met een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] . De rechtbank gaat ervan uit dat het bedrag van € 210,- jaarlijks wordt geïndexeerd. De rechtbank houdt zodoende rekening met een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] van afgerond € 220,- per maand in 2026.
Bij de berekening van het NBI van de partner van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.279,- bruto per maand in 2026, zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van januari 2026. Rekening houdend met een vakantietoeslag van 8%, een pensioenpremie van afgerond € 164,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank haar NBI op € 3.941,- per maand.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedraagt het NBGI van de vader en zijn partner in 2026 (4.4.068 + 3.941 =) € 8.009,- per maand.
Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [minderjarige 3] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026 voor één kind uit het rapport € 985,- per maand, op basis van een gemaximeerd NBGI van € 7.500,-.
De rechtbank overweegt dat uit de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen blijkt dat in de tabelbedragen (op basis waarvan de behoefte is berekend) alle normale kosten, zoals die voor voeding, kleding en opvang, zijn begrepen. Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn dat deze niet zijn inbegrepen in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. Ook hoge opvangkosten behoren tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. De rechtbank is in het voorliggende geval van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van dusdanig hoge opvangkosten dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank zal aldus geen rekening houden met de opvangkosten van [minderjarige 3] .
[minderjarige 4] en [minderjarige 5]
Uit het door de partner van de vader en de vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] opgestelde ouderschapsplan blijkt dat de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is vastgesteld op € 1.460,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 1.727,- per maand. De vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] dient volgens het ouderschapsplan in 2023 een bedrag van € 489,- per maand aan partner van de vader te betalen. Geïndexeerd naar 2026 zou hij een bedrag van afgerond € 579,- moeten betalen. De bijdrage van de vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] heeft een verminderende invloed op de bijdrageplicht van de vader aan [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verminderen met € 579,-. De rechtbank zal dan uitgaan van een behoefte van (1.727 – 579 =) € 1.148,- per maand voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
Draagkracht
Draagkracht vader
Voor de berekening van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank wederom uit van een bruto inkomen van afgerond € 5.513,- per maand. Zoals hiervoor overwogen heeft de vader de afgelopen drie jaar naast zijn maandsalaris bonussen ontvangen. De rechtbank beschouwt dit als inkomen waarmee ook in het kader van de draagkracht rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal wederom uitgaan van één bruto maandsalaris als bonusbedrag, aldus een bedrag van afgerond € 5.513,-. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8% en met een pensioenpremie van afgerond € 174,- per maand. Voorts houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 4.288,-.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4.288 – (1.286 + 1.365)] = afgerond € 1.146,- per maand. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank verder aanleiding om aan de zijde van de vader rekening te houden met een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] van € 220,- per maand in 2026. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 926,- per maand.
Draagkracht moeder
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto inkomen van afgerond € 4.515,- per maand, zoals volgt uit haar salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met een IKB van afgerond € 745,- bruto per maand. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van afgerond € 319,- per maand en een premie ABP AP van afgerond € 6,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget, berekent de rechtbank haar NBI op € 4.360,- per maand.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [1.687 – (1.308 + 1.365)] = afgerond € 1.181,- per maand.
Draagkracht partner vader ( [naam] )
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de partner van de vader gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte van [minderjarige 3] , uit van een inkomen van
€ 5.279,- bruto per maand in 2026. Rekening houdend met een vakantietoeslag van 8%, een pensioenpremie van € 164,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank haar NBI op € 3.941,- per maand.
Omdat het NBI van de partner van de vader hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de vader bedraagt dan: 70% x [3.941 – (1.128 + 1.365)] = afgerond € 976,- per maand.
Verdeling kostenZoals hiervoor is overwogen, is aan de kant van de vader sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank moet in een dergelijk geval beoordelen of de vader in staat is aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen kunnen leveren. Om het aandeel van de vader vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de vader met de draagkracht van de moeder en met de huidige partner van de vader, omdat zij alle drie onderhoudsplichtig zijn voor [minderjarige 1] . Daarnaast vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de vader met de draagkracht van zijn partner, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Ten aanzien van [minderjarige 2] zal de rechtbank geen draagkrachtvergelijking maken tussen de vader en zijn ex-partner, omdat bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening is gehouden met een door hem te betalen kinderalimentatie van € 220,- per maand.
Zoals eerder overwogen hanteert de rechtbank de verhoudingenmethode waarbij een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht van de ouders met de formule:
draagkracht per ouder / totale draagkracht x behoefte kind(eren):
Aandeel vader, aandeel moeder en aandeel partner vader voor [minderjarige 1]
aandeel moeder: 1.181 / 3.083 x 1.029 = 394
aandeel vader: 926 / 3.083 x 1.029 = 309
aandeel partner vader: 976 / 3.083 x 1.029 = 326
samen: 1.029
Aandeel vader en aandeel partner vader voor [minderjarige 3]
aandeel vader: 926 / 1.902 x 985 = 480
aandeel partner vader: 976 / 1.902 x 985 = 505
samen: 985
Aandeel vader en aandeel partner vader voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5]
aandeel vader: 926 / 1.902 x 1.148 = 559
aandeel partner vader: 976 / 1.902 x 1.148 = 589
samen: 1.148
De moeder dient voor [minderjarige 1] bij te dragen met € 394,- per maand. Daartoe is de moeder financieel in staat want haar draagkracht is € 1.181,- per maand.
De vader moet voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en [minderjarige 5] respectievelijk bijdragen met
€ 309,- + € 480,- + € 559,- = € 1.348,- per maand. Daartoe is de vader financieel niet in staat, want zijn draagkracht is € 926,- per maand. Dat is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien.
Dit tekort aan draagkracht zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De vader kan slechts € 926,- van de benodigde € 1.348,- betalen. Percentueel is dit afgerond 69% (926 / 1.348 x 100). Voor ieder kind is daarom slechts 69% van het aandeel van de vader beschikbaar.
Voor [minderjarige 1] bedraagt 69% van het benodigde aandeel € 213,- per maand (69% van € 309,-). Voor [minderjarige 3] bedraagt 69% van het benodigde aandeel € 331,- per maand (69% van € 480,-) en voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] bedraagt 69% van het benodigde aandeel € 385,- per maand (69% van € 559,-). Voornoemde aandelen komen tezamen neer op afgerond € 929,-. De
rechtbank merkt op dat de som van voornoemde aandelen gezamenlijk slechts € 3,- hoger ligt dan de draagkracht van de vader, wat als verwaarloosbaar wordt beschouwd.
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. De zorgkorting komt daarmee op 25%, waar beide ouders ook in hun berekeningen vanuit zijn gegaan. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel (0,25 x € 1.029 =) € 257,-.
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De vader heeft € 213,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . De moeder heeft
€ 394,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . Hun gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 1] is daarom € 607,- per maand. De behoefte van [minderjarige 1] is € 1.029,- per maand, waardoor er een tekort is van € 422,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 211,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de vader. De vader kan dus nog € 46,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 257,- minus € 211,-).
Dat betekent dat de bijdrage van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (€ 213,- minus € 46,- = ) € 167,- per maand bedraagt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de vader, met ingang van 1 mei 2026, te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] vaststellen op € 167,- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
ProceskostenNu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen de ouders te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de ouder bij wie [minderjarige 1] het laatst verbleef [minderjarige 1] naar de andere ouder brengt;
*
stelt de volgende verdeling van de feest- en vakantiedagen ten aanzien van [minderjarige 1] vast:
  • de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, en in de oneven jaren andersom, met het wisselmoment op zondag om 19:00 uur;
  • Kerst: in de even jaren op Kerstavond vanaf 15.00 uur tot en met Eerste Kerstdag bij de vader, waarna de vader [minderjarige 1] op Tweede Kerstdag om 10.00 uur naar de moeder brengt, waarbij [minderjarige 1] op Tweede Kerstdag bij de moeder verblijft, en in de oneven jaren andersom;
  • Oud en nieuw: in de even jaren op oudejaarsdag vanaf 15.00 uur tot en met 15.00 uur op nieuwjaarsdag bij de moeder, en in de oneven jaren andersom;
  • de voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
  • de meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, en in de oneven jaren andersom, met het wisselmoment op zondag om 19:00 uur;
  • de zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, en in de oneven jaren andersom, met het wisselmoment op zondag om 19:00 uur;
  • de herfstvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
  • Moederdag: bij de moeder, waarbij de vader [minderjarige 1] om 12.00 uur naar de moeder brengt, indien [minderjarige 1] bij de vader is, tot maandagochtend naar school;
  • Vaderdag: bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige 1] om 12.00 uur naar de vader brengt, indien [minderjarige 1] bij de moeder is, tot maandagochtend naar school;
  • verjaardag van [minderjarige 1] : in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
  • Andere feest- en vakantiedagen: de reguliere zorgregeling geldt;
*
stelt een belregeling vast waarbij [minderjarige 1] tijdens de vakanties bij de ene ouder tweemaal per week met de andere ouder belt, waarbij het aan de ouders is om een vast moment en tijdstip voor deze belmomenten bepalen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 mei 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 167,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2026.