ECLI:NL:RBDHA:2026:14425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/09/683052 / FA RK 25-2545
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:253a BWArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over kinder- en partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding

De rechtbank Den Haag heeft op 1 mei 2026 een beschikking gegeven in een civiele procedure betreffende de echtscheiding van partijen, waarbij de hoofdverblijfplaatsen van de minderjarige kinderen zijn vastgesteld en de zorgregeling is geregeld.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op €134 per maand per kind, te betalen door de man aan de vrouw, en de partneralimentatie op €154 bruto per maand. De berekeningen zijn gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen van partijen en de zorgregeling, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht van beide ouders.

Daarnaast heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, waarbij onder meer de verkoop van de echtelijke woning, de verdeling van bankrekeningen, inboedel en de auto zijn geregeld. De rechtbank heeft ook gewezen op de uitvoerbaarheid bij voorraad van deze beschikking.

De rechtbank heeft verzoeken van partijen deels toegewezen en deels afgewezen, waaronder het afwijzen van dwangsommen en het verzoek om afschriften van bankrekeningen. De beschikking is uitgesproken door rechter G. van Zeben-de Vries.

Uitkomst: De rechtbank wijst kinderalimentatie en partneralimentatie toe en stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-2545 (echtscheiding) / FA RK 25-6618 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/683052 (echtscheiding) / C/09/690934 (verdeling)
Datum beschikking: 1 mei 2026

Scheiding

Beschikking op het op 2 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A.C.M. Jansen te Middelharnis.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Biezen te ’s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 1 september 2025 van deze rechtbank zijn in de procedure met betrekking tot het verzoek vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving scholen ex artikel 1:253a BW alle verzoeken afgewezen. Daarnaast is in de onderhavige procedure:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat [de minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
- bepaald dat [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
- een zorgregeling vastgesteld conform een tweewekelijks schema, waarbij de kinderen bij de man zijn:
  • week 1: van woensdagmiddag uit school tot vrijdagmiddag 17.30 uur;
  • week 2: van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend voor school,
waarbij de ouder waar de kinderen verblijven, de kinderen naar de andere ouder brengt;
- de volgende vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld:
  • zomervakantie: in de even jaren heeft de man eerste keus voor twee aaneengesloten weken, in de oneven jaren heeft de vrouw eerste keus voor twee aaneengesloten weken, de overige twee weken conform de reguliere zorgregeling;
  • herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren vice versa;
  • meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren vice versa,
  • waarbij een vakantieweek zeven dagen is en loopt van zondag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur,
  • verjaardagen kinderen en ouders: conform de reguliere (vakantie)regeling;
  • Goede Vrijdag: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Eerste Paasdag: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Tweede Paasdag: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Koningsdag: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Hemelvaart: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Eerste Pinksterdag: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Tweede Pinksterdag: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, tenzij de dag in een vakantie valt, dan prevaleert de vakantieregeling;
  • Moederdag: bij de vrouw, vanaf 19.00 uur op de zaterdag daaraan voorafgaand;
  • Vaderdag: bij de man, vanaf 19.00 uur op de zaterdag daaraan voorafgaand;
  • Sinterklaasavond: conform de reguliere regeling;
- de behandeling met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, de vaststelling van de kinder- en partneralimentatie en de provisionele voorziening ex artikel 195 Rv Pro aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
- het verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 23 maart 2026;
- de brief van 24 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het aanvullend/gewijzigd verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op
24 maart 2026;
- de brief van 26 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
- de brief van 1 april 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
- het bericht van 2 april 2026, met bijlage, van de zijde van de man.
Op 3 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.
Na de zitting heeft de rechtbank het volgende stuk ontvangen:
- de brief van 28 april 2026 van de zijde van de vrouw, met als bijlage de beschikking van 22 april 2026 van het gerechtshof Den Haag.

Nieuwe feiten

- De echtscheidingsbeschikking is op 30 maart 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- Bij beschikking van 22 april 2026 van het gerechtshof Den Haag is, voor zover hier van belang, de beschikking van 1 september 2025 vernietigd voor zover daarbij het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij de vrouw bepaald.

Verzoek en verweer

Van de zijde van de vrouw liggen nog de navolgende verzoeken ter beoordeling voor:
  • te bepalen dat de man met ingang van de in deze te wijzen beschikking een kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen van € 330,- per maand, aldus € 165,- per maand per kind;
  • te bepalen dat de man met ingang van de in deze te wijzen beschikking een partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen van € 154,- bruto per maand;
  • de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform het voorstel van de vrouw,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen voormelde verzoeken van de vrouw.
Daarnaast liggen van de zijde van de man nog de navolgende zelfstandige verzoeken ter beoordeling voor:
- te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie van € 173,- per maand dient te betalen voor [de minderjarige 1] ;
- te bepalen dat de vrouw aan de man een kinderalimentatie van € 110,- per maand dient te betalen voor [de minderjarige 2] ;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform het voorstel van de man,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Kinderalimentatie
Nu het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 22 april 2026 ook de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij de vrouw heeft bepaald, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] berekenen.
Ingangsdatum
Aangezien partijen tot op heden nog gezamenlijk de kosten van de kinderen voldoen, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte van de kinderen
Voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen is bepalend het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders op het moment van hun feitelijk uiteengaan. Partijen zijn in 2024 feitelijk uit elkaar gegaan. Zij zijn het erover eens dat hun gezamenlijke NBI toen meer dan € 6.000,- per maand bedroeg. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen uit het Rapport Alimentatienormen 2024 kan de totale behoefte van de kinderen worden vastgesteld op € 1.470,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de totale behoefte van de kinderen € 1.638,- per maand.
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026 moet de financiële draagkracht van de ouders in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht van de man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn salarisspecificaties over de maanden januari en februari 2026. Hieruit blijkt een salaris van
€ 5.352,80 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en een pensioenpremie van € 200,- per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 4.215,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (afgerond) € 1.110,- per maand, te weten 70% x [4.215 - (0,3 x 4.215 + 1.365)].
Draagkracht van de vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van haar salarisspecificaties over de maanden januari en februari 2026. Hieruit blijkt een salaris van € 3.859,20 bruto per maand exclusief vakantiegeld, een eindejaarsuitkering van
€ 321,47 per maand, een premie pensioen OP/NP van € 297,50 per maand, een premie AOP van € 11,28 per maand en een premie coll. AOV van € 27,99 per maand.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat aan de zijde van de vrouw moet worden gerekend met het inkomen dat zij zou verdienen als zij in plaats van drie dagen vier dagen per week zou werken. Tijdens het huwelijk hebben partijen met elkaar afgesproken dat de vrouw in verband met de zorg voor de kinderen drie dagen per week zou gaan werken en de man vier dagen per week. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk om dan nu van de vrouw te verwachten dat zij een dag extra gaat werken.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en een kindgebonden budget van € 7.053,- per jaar berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.093,- per maand.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule (afgerond) € 1.050,- per maand, te weten 70% x [4.093 - (0,3 x 4.093 + 1.365)].
Conclusie
Gelet op de gezamenlijke draagkracht van de ouders van (€ 1.110,- + € 1.050,- =) € 2.160,- per maand, bedraagt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen naar rato van zijn draagkracht (€ 1.110,- / € 2.160,- x € 1.638,- =) (afgerond) € 842,- per maand.
Gelet op de geldende zorgregeling zal de rechtbank een zorgkorting van 35% van de behoefte, te weten € 574,- per maand, hanteren.
Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door man aan de vrouw te betalen bijdrage € 268,- per maand, ofwel € 134,- per maand per kind. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen op voormeld bedrag.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partneralimentatie
Ingangsdatum
Als ingangsdatum voor de partneralimentatie zal de rechtbank eveneens de datum van deze beschikking hanteren.
Behoefte en behoeftigheid van de vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw moet worden berekend op basis van de hofnorm, inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan minus de kosten van de kinderen. Voor de berekening van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan in 2024 volgt de rechtbank de door de man overgelegde berekening waaruit een NBI van de man blijkt van € 3.678,- per maand en een NBI van de vrouw van € 3.151,-. Aldus becijfert de rechtbank het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan op € 6.829,- per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt conform de hofnorm (afgerond) € 3.215,- netto per maand (60% van (€ 6.829,- minus € 1.470,-). Geïndexeerd naar 2026 is dit
€ 3.581,- netto per maand.
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.581,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 284,- netto per maand. Dat is € 556,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
Het NBI van de man bedraagt € 4.215,- per maand. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026 de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 952,- per maand (60% x [4.215 - (0,3 x 4.215 + 1.365)]. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van
€ 842,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 110,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 176,- per maand. Het door de vrouw verzochte bedrag aan partneralimentatie van € 154,- per maand is dan ook toewijsbaar.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 2 april 2025. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:
1. de echtelijke woning te [adres] ;
2. de aan de echtelijke woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
3. de bankrekeningen;
4. de inboedel;
5. de auto van het merk Citroën;
6. de teruggave inkomstenbelasting 2024.
Ad 1 en 2. De echtelijke woning en de hypothecaire geldlening
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning moet worden verkocht. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat zij gezamenlijk een opdracht tot verkoop zullen verstrekken aan Olsthoorn Makelaars. De verkoopopbrengst zal na voldoening van de verkoopkosten en na aflossing van de hypothecaire geldlening bij helfte worden gedeeld. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen.
De verzoeken van de vrouw om te bepalen dat deze beschikking zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man aan het verlenen van de opdracht tot verkoop aan de makelaar, het accepteren van een bod, het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en het leveren van de woning, zal de rechtbank afwijzen. Dit geldt ook voor de verzoeken van de vrouw om een dwangsom aan de man op te leggen voor het geval hij niet meewerkt aan het laten maken van foto’s van de woning en het binnenlaten van de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen. Op de zitting heeft de man toegelicht waarom hij eerder terughoudend was om de echtelijke woning te koop te zetten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te veronderstellen dat de man in de huidige situatie niet zal meewerken aan verkoop en levering van de woning.
Ad 3. De bankrekeningen
Partijen hebben gespaard voor de kinderen op twee bankrekeningen op naam van de man: de bankrekening met nummer [bankrekening 1] (bedoeld voor [de minderjarige 1] ) en de bankrekening met nummer [bankrekening 2] (bedoeld voor [de minderjarige 2] ). Per 3 april 2026 bedroegen de saldi op deze bankrekeningen € 3.989,07 en € 2.396,30. Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen gerechtigd is tot de helft van voormelde saldi. De rechtbank zal aldus beslissen.
Partijen zijn het er verder over eens dat de overige bankrekeningen op naam van de man aan de man zullen worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de saldi per 2 april 2025 met de vrouw, en dat de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw zullen worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de saldi per 2 april 2025 met de man. Het saldo op de gezamenlijke rekening zal worden gedeeld per 3 april 2026
(€ 1.826,77). De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen.
Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man ten aanzien van een drietal bankrekeningen op zijn naam afschriften dient te verschaffen over de periode 1 oktober 2024 tot 2 april 2025, zal worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat mogelijk sprake is van benadeling van de gemeenschap door de man.
Ad 4. De inboedel
Bij bericht van 2 april 2026 is namens de man een lijst overgelegd van de tot de gemeenschap behorende inboedelgoederen en de verdeling daarvan. De goederen waarover partijen het niet eens zijn, zijn op deze lijst geel gearceerd. Op de zitting hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de verdeling van de volgende inboedelgoederen:
- babyspullen: verdelen
- iPad: vrouw
- Samsung tablet: man
- geboortebestek kinderen en eigen kinderbestek: vrouw
- Nest Audio: man
- overig speelgoed: verdelen
- stofzuiger: vrouw
- robotstofzuiger: man
- spiegels in de gang: vrouw
- spellen in doos: vrouw.
Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de televisie, het blauwe gereedschapsdoosje, de Bosch boormachine, het schoenenkastje en de vier gele kinderstoeltjes. De rechtbank zal hier daarom een beslissing over nemen. Aan de man zullen worden toegedeeld: het blauwe gereedschapsdoosje, het schoenenkastje en twee gele kinderstoeltjes. Aan de vrouw zullen worden toegedeeld: de televisie, de Bosch boormachine en twee gele kinderstoeltjes. Gelet op de geschatte waarde van voormelde inboedelgoederen, zal de rechtbank in redelijkheid bepalen dat de vrouw nog een bedrag van € 100,- aan de man moet voldoen.
Ad 5. De auto
Partijen zijn het erover eens dat de auto zal worden toegedeeld aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde met de man. Zij zijn het echter niet eens over de te hanteren waarde. De man wenst uit te gaan van de waarde volgens de ANWB koerslijst in juni 2025 (€ 8.050,-) en de vrouw van de waarde volgens de ANWB koerslijst in maart 2026 (€ 6.850,-). Aangezien de auto na het uiteengaan van partijen uitsluitend is gebruikt door de vrouw, acht de rechtbank het redelijk om een waarde van € 8.050,- aan te houden.
Ad 6. De teruggave inkomstenbelasting 2024
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder gerechtigd zijn tot de helft van de teruggave inkomstenbelasting 2024 ter hoogte van € 5.226,-. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de man met ingang van heden een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 134,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man met ingang van heden een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 154,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de helft van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning na voldoening van de verkoopkosten en na aflossing van de hypothecaire geldlening;
1.2
de helft van de saldi op de twee bankrekeningen op naam van de man met nummers [bankrekening 1] en [bankrekening 2] per
3 april 2026 (€ 3.989,07 en € 2.396,30);
1.3
de overige bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft van de saldi per 2 april 2025 met de vrouw;
1.4
de helft van het saldo op de gezamenlijke rekening per 3 april 2026
(€ 1.826,77);
1.5
het blauwe gereedschapsdoosje, het schoenenkastje en twee gele kinderstoeltjes, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw;
1.6
de helft van de teruggave inkomstenbelasting 2024 van € 5.226,-;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de helft van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning na voldoening van de verkoopkosten en na aflossing van de hypothecaire geldlening;
2.2
de helft van de saldi op de twee bankrekeningen op naam van de man met nummers [bankrekening 1] en [bankrekening 2] per
3 april 2026 (€ 3.989,07 en € 2.396,30);
2.3
de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi per 2 april 2025 met de man;
2.4
de helft van het saldo op de gezamenlijke rekening per 3 april 2026
(€ 1.826,77);
2.5
de televisie, de Bosch boormachine en twee gele kinderstoeltjes, onder de verplichting om daarvoor een bedrag van € 100,- aan de man te betalen;
2.6
de auto van het merk Citroën, onder de verplichting om daarvoor een bedrag van € 4.025,- aan de man te betalen;
2.7
de helft van de teruggave inkomstenbelasting 2024 van € 5.226,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door
mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 mei 2026.