ECLI:NL:RBDHA:2026:14441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/09/689563 / FA RK 25-5888
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253c lid 1 en 2 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en zorgregeling voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 1 mei 2026 het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige dochter, gezamenlijk gezag toe te kennen en een zorgregeling vast te stellen. De moeder was niet verschenen en voerde geen verweer. De bijzondere curator adviseerde toewijzing van het verzoek.

De vader is de biologische verwekker van de minderjarige en heeft haar tot dan toe niet erkend. De rechtbank overwoog dat erkenning in het belang is van de minderjarige, die regelmatig contact heeft met haar vader en op de hoogte is van hun relatie. Er waren geen aanwijzingen dat erkenning de belangen van de moeder of de minderjarige zou schaden.

De rechtbank kende vervolgens gezamenlijk gezag toe aan de vader en moeder, ondanks het ontbreken van communicatie tussen hen, omdat geen onaanvaardbaar risico bestond dat de minderjarige daardoor zou worden geschaad. Ten slotte stelde de rechtbank een zorgregeling vast waarbij de minderjarige om het weekend en drie doordeweekse dagen bij de vader verblijft, waarbij zij zich zelfstandig verplaatst.

De werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de vader moet zelf zorgdragen voor inschrijving van de erkenning in het register van de burgerlijke stand.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming erkenning, kent gezamenlijk gezag toe en stelt een zorgregeling vast waarbij de minderjarige regelmatig bij de vader verblijft.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5888 (bodemprocedure) en FA RK 26-649 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/689563 (bodemprocedure) en C/09/689200 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 1 mei 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag en zorgregeling

Beschikkingop de op 4 augustus 2025 en 22 januari 2026 ingekomen verzoeken van:

[de vader] ,

de man/vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1]

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.W. Stok,
advocaat te Delft,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
in de bodemprocedure C/09/689563 FA RK 25-588
  • het verzoekschrift;
  • de geboorte akte van de minderjarige;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het F9 formulier van 7 november 2025 van de man;
  • het F9 formulier van 22 januari 2026 van de man.
in de voorlopige voorzieningenprocedure C/09/689200 FA RK 26-649
het verzoekschrift;
- het F9 formulier van 23 januari 2026, met bijlagen, van de man;
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 3 april 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • J.W. Stok, bijzondere curator, namens de minderjarige;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.

Feiten

  • De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Uit deze relatie is geboren de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ( [de minderjarige] ).
  • De man heeft [de minderjarige] niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
  • De man, de moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025 is mr. J.W. Stok voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] op grond van artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure FA RK 25-588 C/09/689563:
De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :
  • de man vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige;
  • de man mede te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige, zodat aan de ouders voortaan gezamenlijk gezag over de minderjarige toekomt;
  • te bepalen dat de man contact zal hebben met de minderjarige waarbij de minderjarige om het weekend op zaterdag en/of zondag van 11:00-18:00/19:00 na het eten bij de man verblijft, alsmede drie doordeweekse dagen vanuit school tot 18:00/19:00 uur, waarbij de minderjarige zich zelf op de fiets zal verplaatsen, althans een zodanige omgangsregeling te bepalen zo als de rechtbank in het belang van de minderjarige acht;
  • subsidiair de Raad voor de Kinderbescherming de opdracht geven te onderzoeken:
- of er aanleiding is om aan te nemen dat een erkenning door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zelf zal schaden;
- welke gezagsregeling in het belang van de minderjarige is;
- welke zorg- of omgangsregeling in het belang van de minderjarige is.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
De bijzondere curator adviseert de rechtbank om het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarigen toe te wijzen.
In de voorlopige voorzieningenprocedure FA RK 26-649 C/09/689200:
De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de minderjarige om het weekend op zaterdag en/of zondag van 11:00-18:00/19:00 na het eten bij de man verblijft, alsmede drie doordeweekse dagen vanuit school tot 18:00/19:00 uur, waarbij de minderjarige zich zelf op de fiets zal verplaatsen, althans een zodanige omgangsregeling te bepalen zo als de rechtbank in het belang van de minderjarige acht.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij is het uitgangspunt dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake als er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat is voldaan aan de hierboven geschetste voorwaarden. Hij voert daartoe aan dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de man de verwekker van [de minderjarige] is. Het is volgens de man zowel in zijn belang als in het belang van de minderjarige dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking zodat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de juridische situatie.
De moeder is niet verschenen op de zitting en heeft geen verweer gevoerd. Dat betekent dat de rechtbank geen rekening kan houden met het standpunt van de moeder in de te nemen beslissing.
De bijzondere curator heeft geadviseerd om het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige toe te wijzen. De bijzondere curator heeft ter onderbouwing van dit advies – verkort weergegeven – het volgende aangegeven. Ondanks diverse pogingen is het de bijzondere curator niet gelukt om de moeder te spreken. De bijzondere curator heeft wel met de vader en de minderjarige gesproken. Uit de gesprekken met de man en de minderjarige bleek dat zij frequent tijd met elkaar doorbrengen en dat zij op de hoogte zijn van hun vader-dochterrelatie. De bijzondere curator is daarom van mening dat erkenning in het belang is van de minderjarige.
De rechtbank overweegt dat het (wettelijk) uitgangspunt is dat aan een verwekker vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend, tenzij komt vast te staan dat dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Daarbij staat voorop dat het in het belang is van kinderen dat zij weten van wie zij afstammen en dat de juridische werkelijkheid zoveel mogelijk aansluit bij de biologische werkelijkheid van het vaderschap. Dit belang is zo groot dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden de rechter het verzoek van een verwekker kan afwijzen. De moeder heeft geen verweer gevoerd en ondanks diverse pogingen van de bijzondere curator heeft de moeder ook niet bij de bijzondere curator haar standpunt kenbaar gemaakt. De minderjarige heeft bij de bijzondere curator verklaard dat zij weet dat de man haar vader is. Zij brengt regelmatig doordeweeks na school en in de weekenden tijd met hem door. Ook brengt zij regelmatig in de weekenden tijd met de familie van de man door. De rechtbank ziet verder geen omstandigheden die aan erkenning van het vaderschap in de weg staan. De rechtbank zal het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning daarom in het belang van de minderjarige toewijzen.
De rechtbank merkt op dat de man, nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, er zelf voor moet zorgen dat de beslissing tot vervangende toestemming om de minderjarige te mogen erkennen, in het register van de burgerlijke stand wordt ingeschreven.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezamenlijk gezagNu het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen, zal de man in het vervolg van de beschikking worden aangeduid als de vader.
De vader verzoekt om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] . Hij voert ter onderbouwing aan dat hij en de moeder gedurende de relatie altijd gezamenlijk verantwoordelijk zijn geweest voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Op dit moment weigert de moeder direct met de vader te communiceren. Omdat de vader [de minderjarige] regelmatig ziet, is hij wel op de hoogte van haar ontwikkelingen. De vader wil betrokken blijven bij alle aspecten van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] , zo ook bij het nemen van belangrijke beslissingen. Op de zitting heeft de vader toegezegd dat hij niet in de weg zal staan aan (belangrijke) te nemen gezasgsbeslissingen. Het gezamenlijk gezag zal volgens de vader de feitelijke situatie in overeenstemming brengen met de juridische situatie.
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, BW volgt dat de vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Een dergelijk verzoek kan – in het geval de moeder zich hiertegen verzet – alleen worden afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Hiervoor is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. De rechtbank kan geen rekening houden met het standpunt van de moeder in de te nemen beslissing nu de moeder geen verweer heeft gevoerd. Uit de stukken en dat wat op de zitting door de vader is verklaard leidt de rechtbank af dat de moeder de directe communicatie tussen partijen blokkeert. Naar het oordeel van de rechtbank staat dit niet in de weg aan het toekennen van gezamenlijk gezag. Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties kan leiden waarin de minderjarige klem of verloren raakt of anderszins in haar belangen wordt geschaad. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat zij het niet aannemelijk acht dat de vader in de weg zal staan aan te nemen gezagsbeslissingen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten toewijzen.
Omdat de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten zal toewijzen, wordt in het vervolg van de beschikking gesproken over de zorgregeling.
Zorgregeling
De vader verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om het weekend op zaterdag en/of zondag van 11:00-18:00/19:00 na het eten bij de vader verblijft, alsmede drie doordeweekse dagen vanuit school tot 18:00/19:00 uur, waarbij zij zich zelf op de fiets zal verplaatsen. De vader heeft op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] bijna iedere dag uit school tot na het eten (18:00/19:00) bij de vader is. Zij heeft een huissleutel van het huis van de vader en laat zichzelf binnen als vader op dat moment niet thuis is. Volgens de vader is hij voor omgang afhankelijk van de stemming van de moeder. Daarom wenst hij dat er een regeling wordt vastgesteld zodat naar de moeder toe duidelijk is dat er een zorgregeling is. De vader heeft op de zitting aangegeven dat de omgang in principe zal blijven zoals die nu is. [de minderjarige] is vrij te komen en te gaan wanneer zij dat wil.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank overweegt dat zij ook ten aanzien van de zorgregeling geen rekening kan houden met het standpunt van de moeder. Zowel de vader als de minderjarige hebben verklaard dat er regelmatig contact is tussen hen. De rechtbank ziet verder geen reden die aan de weg staat aan het vaststellen van een zorgregeling en daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
Het verzoek ten aanzien van een voorlopige voorziening is op de zitting ingetrokken zodat de rechtbank hier niet meer op hoeft te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent aan [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1982 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1975 te [geboorteplaats 3] , [land] vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat voortaan aan de vader mede het gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
*
bepaalt dat [de minderjarige] om het weekend op zaterdag en/of zondag van 11:00 uur tot 18:00/19:00 uur na het eten bij de vader verblijft, alsmede drie doordeweekse dagen vanuit school tot 18:00/19:00 uur, waarbij zij zich zelf op de fiets zal verplaatsen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 mei 2026.