Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14465

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25_276 en 25/285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)Ziektewet (ZW)Algemene wet bestuursrecht (Awb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin zijn aanvragen voor een WIA-uitkering per 8 mei 2023 en een Ziektewetuitkering per 8 juli 2024 zijn geweigerd. De medische beoordeling door verzekeringsartsen concludeerde dat eiser weliswaar rugklachten heeft, maar dat deze niet leiden tot de door eiser geclaimde beperkingen die een uitkering rechtvaardigen. De arbeidsdeskundige stelde dat eiser geschikt is voor meerdere functies met een verdiencapaciteit van meer dan 65% van het maatmanloon.

De rechtbank overweegt dat de medische stukken die eiser zes dagen voor de zitting heeft ingediend te laat zijn en buiten beschouwing blijven. De rechtbank acht het medisch onderzoek zorgvuldig en sluit aan bij de conclusies van de verzekeringsartsen dat er geen objectief medisch bewijs is voor zwaardere beperkingen of psychische functiestoornissen. De ervaren klachten van eiser zijn onvoldoende om het oordeel te wijzigen.

De rechtbank concludeert dat eiser geschikt is voor de geduide functies en dat de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkeringen terecht is. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende objectief vastgestelde beperkingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/276 en SGR 25/285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.F. van Es),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Inleiding

WIA
Bij besluit van 25 maart 2024 (primair besluit I) heeft verweerder geweigerd per 8 mei 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan eiser toe te kennen.
Bij besluit van 3 december 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit I gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ZW
Bij besluit van 27 augustus 2024 (primair besluit II) heeft verweerder geweigerd per 8 juli 2024 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan eiser toe te kennen.
Bij besluit van 3 december 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit II gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Beide zaken
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluiten I en II.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een tweetal verweerschriften.
Eiser heeft op 22 september 2025 nadere medische stukken overgelegd.
Bij brief van 4 november 2025 heeft verweerder de reactie hierop van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft zich op 10 mei 2021 vanuit de Werkloosheidswet ziekgemeld. Aan hem is per 9 augustus 2021 een uitkering op grond van de ZW toegekend. Verweerder heeft de ZW-uitkering per 3 mei 2023 beëindigd, op de grond dat eiser geschikt is te achten voor zijn eigen werk. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is gegrond verklaard. Eisers ZW-uitkering is per 3 mei 2023 doorgelopen.
WIA
2.1.
Naar aanleiding van de aanvraag van eiser voor een WIA-uitkering heeft de verzekeringsarts onderzoek verricht. Hij heeft daarbij eiser op zijn spreekuur van 14 maart 2024 medisch onderzocht. In zijn rapport van 20 maart 2024 heeft de verzekeringsarts vermeld dat eiser rugklachten claimt en dat er volgens eiser sprake is van slijtage en een hernia lumbaal, maar dat uit de gegevens van de specialisten alleen blijkt van artrose midthoracaal en aspecifieke rugklachten. De medische situatie van de rugklachten lijkt nu niet wezenlijk anders als die per oktober 2023 en maart 2023. De ernst van de geclaimde belemmeringen kan niet geobjectiveerd worden. Er is slechts sprake van een milde artrose, maar met zeer forse klachten. Deze discrepantie lijkt volgens de verzekeringsarts vooral te komen door een gestoorde coping. Eiser is zeer gefocust op de klachten en er is ook een duidelijke angst voor de pijn en het bewegen. Hoewel er al langer een afgenomen quadricepsspier wordt gezien, is de kracht normaal beoordeeld, zowel in maart 2023 als in januari 2024 bij de specialist. Alles bij elkaar zijn er volgens de verzekeringsarts wel enige beperkingen aan de orde voor rugbelastend werk, maar niet in de mate die eiser claimt. Het gaat daarbij om de volgende beperkingen; zware beschermende middelen, trillingsbelasting, buigen en frequent buigen, tillen, dragen, lopen, lopen tijdens werk, trappen lopen, klimmen, knielen, zitten en zitten tijdens werk, staan en staan tijdens werk. Een urenbeperking is niet aan de orde in goed passend werk.
Voorts passen volgens de verzekeringsarts de psychische klachten niet bij een depressie of posttraumatisch stresssyndroom. Bij eigen onderzoek gaat het vooral om een aanpassingsstoornis met gestoorde coping en angst voor pijn/bewegen. Daarmee zijn er geen beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren per mei 2023.
De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
2.2.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van de FML drie functies geduid, te weten de functies productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180), textielproductenmaker (sbc-code: 111160) en administratief ondersteunend medewerker (sbc-code: 315100). Met deze functies kan eiser volgens de arbeidsdeskundige een loon verdienen dat afgezet tegen zijn maatmanloon een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 22,74%. Als reservefuncties zijn geduid de functies productiemedewerker textiel (sbc-code:272043) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (sbc-code: 267071).
2.3.
Bij primair besluit I heeft verweerder geweigerd aan eiser per 8 mei 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
ZW
3.1.
Eiser heeft zich per 8 juli 2024 ziekgemeld. De verzekeringsarts heeft naar aanleiding van deze ziekmelding eiser gezien op zijn spreekuur van 22 augustus 2024 en kennis genomen van de voorhanden medische informatie. In zijn rapport vermeldt de verzekeringsarts dat eiser heeft aangegeven dat zijn rug- en nekbelemmeringen zijn toegenomen, waardoor hij belemmeringen ervaart in langdurig lopen, staan, zitten, tillen, dragen, bukken en trappenlopen. Het is aannemelijk dat eiser nog steeds beperkt is ten aanzien van een zware belasting van de rug en het rechterbeen. De uitslag van het onderzoek van de orthopedisch chirurg van 24 januari 2024 geeft echter geen medisch noodzaak om verdergaande beperkingen in de FML te stellen. Er is sprake van aspecifieke rugklachten. In de brief van de orthopedisch chirurg wordt een neurologisch onderzoek beschreven en hieruit blijkt dat de kracht in de benen goed was. Bij eigen onderzoek blijkt dat nog het geval te zijn, zodat er geen reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen in de FML. Verder kan eiser zijn verhaal goed doen, bleef goed geconcentreerd en ook overigens waren er geen tekenen van beperkende psychopathologie. Het verhaal en onderzoek zijn niet wezenlijk anders dan bij de eerdere beoordeling. De subjectieve klachtentoename valt volgens de verzekeringsarts niet te herleiden tot medisch voldoende te objectiveren afwijkingen waardoor een toename van beperkingen zou zijn. Eiser is daarom nog steeds geschikt voor de in het kader van de WIA geduide functies, aldus de verzekeringsarts.
3.2.
Bij primair besluit II heeft verweerder geweigerd aan eiser per 8 juli 2024 een ZW-uitkering toe te kennen
WIA en ZW
4.1.
Naar aanleiding van het door eiser tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) onderzoek verricht. Zij heeft daarbij dossierstudie verricht en kennis genomen van de door eiser in bezwaar overgelegde medische informatie van de arts [naam] van 23 september 2024. In haar rapport van 21 november 2024 heeft de verzekeringsarts b&b vermeld dat de primaire verzekeringsartsen zijn uitgegaan van artrose midthoracaal en aspecifieke lage rugklachten waarvoor een verminderde belastbaarheid van eisers rug is aangenomen. De arts [naam] beschrijft een functionele scoliose met diverse spierspanningen en tendomyogene klachten van de onderrug, op basis van een degeneratief beeld cq deconditionering van spieren. Ook beschrijft de arts [naam] een radiculaire prikkeling van linker cervicale wervelkolom met verdenking C6 maar zijn er geen neurologische uitvalsverschijnselen van zijn linkerarm.
Uit de informatie van de arts [naam] blijkt dus volgens de verzekeringsarts b&b een beeld van verhoogde spierspanning door pijnklachten van de wervelkolom, maar laat geen nieuwe feiten zien. De bevinding van de primaire verzekeringsarts dat een subjectieve klachtentoename niet valt te herleiden tot medisch voldoende te objectiveren afwijkingen wordt daarom gedeeld. Er ontbreekt informatie van de [kliniek] waar hij op een wachtlijst staat. Verder is het mogelijk dat eiser in reactie op het aanhouden van de pijnklachten psychische klachten ontwikkeld kan hebben, maar deze zijn niet dusdanig ernstig dat er van functiestoornissen kan worden gesproken. De voorgeschreven antidepressieve medicatie blijkt tot stabilisatie geleid te hebben. Psychisch onderzoek laat namelijk geen afwijkende bevindingen per datum in geding zien. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om de FML te herzien.
4.2.
De arbeidskundige b&b heeft in zijn rapport van 26 november 2024 geconcludeerd dat eiser onverminderd geschikt is te achten voor de door de arbeidskundige geduide functies. Als derde reservefunctie heeft de arbeidsdeskundige b&b toegevoegd de functie van medewerker tuinbouw (sbc-code: 111010).
5. Bij bestreden besluiten I en II heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en daarbij verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b.
Standpunt eiser in beroep
6. Eiser voert aan dat in beide procedures het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn klachten. Ook is onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de informatie van de arts [naam] en de informatie die aanleiding vormde voor zijn aanmelding bij de [kliniek] niet volgt dat voor hem meer beperkingen zouden moeten worden vastgelegd. Naar de mening van eiser hadden ook beperkingen aangenomen moeten worden ten aanzien van buigen, frequent buigen, duwen en trekken, tillen, dragen, lopen, klimmen, zitten en gebogen of getordeerd actief zijn. Verder hadden beperkingen aangenomen moeten worden op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren vanwege zijn psychische klachten. Daarnaast had ook nog een urenbeperkingen aangenomen moeten worden in verband met zijn pijnklachten in combinatie met vermoeidheidsklachten. Tot slot stelt eiser dat de geduide functies niet passend voor hem zijn aangezien zijn belastbaarheid daarin wordt overschreden.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn beroep diverse medische rapporten overgelegd.
Beoordeling rechtbank
7.1.
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 april 2026, dus zes dagen voor de zitting, opnieuw diverse medische rapporten heeft ingezonden. Deze stukken zijn dus te laat ingediend. De rechtbank laat deze stukken daarom bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Zij neemt daarbij in aanmerking dat deze stukken dateren van oktober 2025, november 2025 en januari 2026 en dat eiser deze stukken al eerder in deze procedure had kunnen inbrengen. Bovendien gaat het in deze stukken om een andere datum dan de data hier in geding.
7.2
Ten aanzien van het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is zowel in het kader van de WIA als de ZW door de primaire verzekeringsarts gezien en medisch onderzocht. Daarbij is ook informatie van de behandelend artsen bij de primaire onderzoeken betrokken en heeft de verzekeringsarts b&b in bezwaar kennis genomen van de informatie van de arts [naam] . De rechtbank ziet op grond hiervan geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest.
7.3.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen reden is om aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen. Er is rekening gehouden met de rugklachten van eiser en hiervoor zijn ook beperkingen aangenomen in de FML. De door eiser in beroep op 22 september 2025 overgelegde medische rapporten zijn door de verzekeringsarts gezien. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 3 november 2025 afdoende gemotiveerd dat uit de rapporten van de orthopedische chirurg en reumatoloog van de [kliniek] en verslagen van de radiologie en het MRI-onderzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen en dat er geen aanleiding is om de FML per 8 mei 2023 en 8 juli 2024 aan te passen. De inhoud van de door eiser overgelegde medische rapporten geeft de rechtbank dan ook geen aanleiding te concluderen dat de beperkingen zijn onderschat.
Wat betreft de psychische klachten hebben de verzekeringsartsen bij hun onderzoeken geen psychopathologie bij eiser kunnen vaststellen. Nu er geen nadere (medische) informatie voorhanden is waaruit blijkt dat dit ten tijde van de data in geding wel het geval is, zijn er terecht geen psychische beperkingen aangenomen. Verder blijkt uit geen enkel medisch stuk dat eiser energetische beperkingen ondervindt, zodat een urenbeperking evenmin aan de orde is.
7.4.
De omstandigheid dat eiser meer beperkingen ervaart, hoe invoelbaar ook, geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In de verzekeringsgeneeskundige beoordeling kan immers niet uitsluitend worden afgegaan op hoe eiser zijn klachten en beperkingen zelf ervaart. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd en vastgesteld.
7.5
Het voorgaande betekent dat de medische beoordeling stand houdt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door eiser is verzocht.
7.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies. Met deze functies is eiser in staat meer dan 65% van het voor hem geldende maatmanloon te verdienen.
8. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd aan eiser per 8 mei 2023 een WIA-uitkering en per 8 juli 2024 een ZW-uitkering toe te kennen.
9. Dit betekent dat de beroepen ongegrond zijn en eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
De griffier is buiten staat
de uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.