Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26_3306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.2.1 Wmo 2015Art. 3, tweede lid, IVRKArt. 27, tweede lid, IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid

Verzoekster, een vrouw met drie minderjarige kinderen, heeft zich gemeld voor maatschappelijke opvang nadat zij haar woning in het buitenland had verlaten en tijdelijk geen onderdak had. Verweerder had haar aanvankelijk opvang toegekend uit coulance en in het belang van de kinderen, maar verlengde deze opvang slechts tijdelijk tot 26 mei 2026. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen griffierecht hoefde te betalen vanwege betalingsonmacht en dat het verzoek om een briefadres niet ontvankelijk was wegens gebrek aan connexiteit. De kernvraag was of verzoekster niet in staat was zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, zoals vereist voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.

Uit het onderzoek en advies van verweerder bleek dat verzoekster zelfstandig was in persoonlijke verzorging en huishoudelijke taken, geen medische of geestelijke klachten had, en zelfredzaam was ondanks het ontbreken van een vaste woonplek. Ook waren er geen medische problemen bij de kinderen die opvang noodzakelijk maakten. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet tot de doelgroep van maatschappelijke opvang behoorde en dat de belangen van de kinderen en publieke belangen zorgvuldig waren afgewogen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.C. Bannink op 26 mei 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster als zelfredzaam wordt beschouwd en niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3306

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Met het primaire besluit van 17 april 2026 heeft verweerder beslist dat de aan verzoekster toegekende maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang wordt verlengd tot en met 28 april 2026.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het besluit van 23 april 2026 heeft verweerder het besluit van 17 april 2026 laten vervallen en beslist dat de tijdelijk opvang wordt verlengd tot en met 26 mei 2026.
Verzoekster heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank bericht dat het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening zich ook tegen dit nieuwe besluit richt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit beroep toe te wijzen. Verzoekster hoeft dan ook geen griffierecht te betalen voor deze procedure.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift ook verzocht een briefadres aan haar toe te kennen. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) connexiteit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt deze connexiteit. De afwijzing door verweerder om aan verzoekster een briefadres toe te kennen is slechts vermeld in het advies in het kader van de beoordeling van de aanvraag om maatschappelijke opvang. Er is hierover nog geen besluit genomen dat vatbaar is voor bezwaar, zodat het bezwaar daar nog niet tegen gericht kan zijn. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kan zich daarom alleen uitstrekken tot de weigering van opvang.
4.1.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.2.
De voorzieningenrechter acht wel een spoedeisend belang aanwezig met betrekking tot de toelating tot de maatschappelijke opvang, nu verzoekster met haar drie kinderen slechts tijdelijk opvang is geboden tot en met 26 mei 2026.
5.1.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster is op 24 juli 2025 vanuit [land] naar Nederland gekomen om naar haar zeggen bij de vader van de kinderen te verblijven. Verzoekster had daarvoor haar woning en baan in [land] opgezegd. Enkele dagen voor vertrek kreeg zij via de telefoon ruzie met de vader van haar kinderen waardoor zij niet meer bij hem wilde wonen. Zij is niettemin naar Nederland vertrokken, Verzoekster heeft daarop contact opgenomen met de zus van de vader van haar kinderen. Zij heeft verzoekster en haar kinderen in huis genomen in [plaats 1]. Volgens verzoekster moest zij vanwege dreigementen van de vader van haar kinderen de woning in [plaats 1] verlaten. Verzoekster is vervolgens bij een kennis in [plaats 2] ingetrokken. Omdat verzoekster daar niet kon blijven, heeft zij zich samen met haar drie minderjarige kinderen op 15 augustus 2025 gemeld bij het daklozenloket met het verzoek om toekenning van gezinsopvang. Verzoekster heeft toen een advies van verweerder gekregen waarin staat dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang.
5.2.
Op 1 oktober 2025 heeft verzoekster zich weer gemeld bij het gemeentelijke daklozenloket. Verweerder heeft hangende het onderzoek verzoekster opgevangen in diverse hotels en bij besluit van 9 april 2026 beslist dat aan verzoekster “uit coulance en in belang van het kind” maatschappelijke opvang wordt toegekend voor de periode van 1 oktober 2025 tot 20 april 2026.
5.3.
Bij besluit van 17 april 2025 heeft verweerder de opvang verlengd tot en met 28 april 2026 en bij besluit van 23 april 2026 de opvang verlengd tot en met 26 mei 2026.
6. Verzoekster voert aan dat zij bestrijdt dat zij zonder goede voorbereiding naar Nederland is gekomen. Zij had wel degelijk geregeld dat zij met haar gezin bij een familielid in [plaats 2] mocht wonen totdat zij zelfstandige woonruimte had gevonden.
Voorts voert verzoekster aan dat zij op diverse gebieden niet zelfredzaam is. Haar verblijfvergunning is pas sinds kort geregeld en tot op heden heeft zij geen uitkering kunnen aanvragen en geen zorgverzekering kunnen regelen, te meer daar zij geen postadres heeft. Voorts heeft zij hulp en ondersteuning nodig bij de problemen waar de kinderen momenteel tegenaan lopen. Zij heeft geen netwerk waarop zij kan terugvallen.
Verzoekster stelt voorts dat het afwijzen van de aanvraag met als reden dat dit in het belang van de kinderen is, volkomen onbegrijpelijk is. Het alternatief is geen woonplek en dat is in vergelijking met de huidige opvang een veel slechtere optie voor de kinderen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij nog een jaar in de opvang dient te blijven. Als haar uitkering op korte termijn geregeld wordt en zij op deugdelijke wijze begeleid wordt, kan er volgens verzoekster een oplossing gevonden worden.
7.1.
Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
7.2
Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
7.3.
Centraal staat de vraag of verzoekster in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
8.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder onderzoek heeft verricht naar de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en hierover advies heeft uitgebracht. Uit dat advies blijkt dat verzoekster in [land] werkzaam was als beleidsmedewerkster, dat het haar aldaar lukte om financieel rond te komen, dat zij zelf de reis naar Nederland heeft georganiseerd en daarbij de paspoorten van de kinderen heeft geregeld en ook een toestemmingsformulier van de vader van de kinderen om met de kinderen te mogen reizen heeft verkregen. Ook heeft zij bij de IND een verblijfsvergunning aangevraagd. Verder heeft eiseres na aankomst in Nederland de kinderen ingeschreven op school. Uit het advies blijkt ook dat verzoekster zelfstandig is in de persoonlijke verzorging evenals bij het uitvoeren van huishoudelijke taken en dat zij niet onder behandeling is voor geestelijke of lichamelijke klachten. Gelet op het voorgaande moet verzoekster naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zelfredzaam worden geacht. Het enkele feit dat verzoekster geen onderdak heeft, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.
8.2
Voorts heeft verweerder in het advies voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen en deze heeft meegewogen. Gebleken is dat er geen medische problemen bij de kinderen zijn die reden gegeven om te concluderen dat opvang noodzakelijk is.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders, belast met gezag, de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wet maatschappelijke opvang. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen. Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder -ondanks dat verzoekster niet tot de doelgroep behoort- ten behoeve van verzoekster en haar minderjarige kinderen gedurende ruim 7 maanden heeft voorzien in de kosten van verblijf en verzoekster voldoende tijd en gelegenheid had om onderdak te realiseren.
9. Omdat verzoekster als voldoende redzaam kan worden beschouwd, komt zij niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek afwijzen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.