ECLI:NL:RBDHA:2026:14469
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier arbeid in loondienst wegens ontbreken tewerkstellingsvergunning
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, diende op 17 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid in loondienst bij een referent in Amsterdam. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 1 april 2025 af, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning (twv) en het niet aantonen van minimaal een jaar legaal verblijf in Nederland.
Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, maar het bezwaar werd op 23 juni 2025 eveneens afgewezen. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank. Tijdens de zitting op 15 april 2026 werd het beroep behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren.
De rechtbank oordeelde dat het eisen van een twv als voorwaarde voor de verblijfsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat eiser geen twv had aangevraagd, waardoor hij niet aan de voorwaarden voldeed. Ook werd het beroep ongegrond verklaard omdat eiser geen onderbouwing gaf voor het ontbreken van de twv en geen schending van het gelijkheidsbeginsel of het recht op privéleven aannemelijk maakte.
De rechtbank wees tevens het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende eiser definitieve vrijstelling van griffierecht toe wegens betalingsonmacht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.