Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14494

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL25.60204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en aannemelijke vrees voor wraakactie

Eiser, een Keniaanse asielzoeker, diende op 16 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 2 december 2025 af, stellende dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade had bij terugkeer naar Kenia. De minister baseerde dit op het feit dat de aanvallen gericht waren op het vee van eisers oom en niet op eiser persoonlijk.

De rechtbank oordeelt echter dat de minister de aanvraag ten onrechte als ongegrond heeft afgewezen. De rechtbank stelt vast dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij als direct familielid van zijn oom een doelwit kan zijn van een wraakactie door de Turkana-stam, mede door het doden van vier stamleden door zijn oom. De rechtbank benadrukt dat de minister de verklaringen, waaronder die van de dorpschief, niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.

Daarnaast heeft eiser concrete inspanningen verricht om informatie over de situatie in zijn dorp en zijn oom te verkrijgen, wat door de minister ten onrechte werd betwist. De rechtbank acht ook de brandstichting van het huis van de oom en een sms met een doodsbedreiging aan eiser als ondersteunend bewijs voor de vrees.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.60204 V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1999, van Keniaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R. Radema).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 16 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.1 Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De minister heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift in gediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en F. Karekezi als tolk in het Swahili deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft - kort samengevat - het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de [naam 1] bevolkingsgroep. Op 28 juli 2025 werd eiser samen met zijn oom en twee neven aangevallen door bandieten van de [naam 2] -stam terwijl zij koeien aan het hoeden waren. Tijdens de aanval zijn twee neven van eiser doodgeschoten en
werd er vee gestolen. Op 23 augustus 2025 volgde opnieuw een aanval door bandieten van dezelfde stam, wederom gericht op het stelen van het vee. Eisers oom heeft toen vier bandieten gedood. Gezien de vrees voor de wraak van de [naam 2] -stam, besloten eiser en zijn oom te vluchten. Eiser weet niet waar zijn oom zich op dit moment bevindt.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. twee aanvallen door de [naam 2] -stam.
3.1.
De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Eiser heeft echter volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege deze asielmotieven een gegronde vrees voor vervolging heeft2 of een reëel risico op ernstige schade loopt3 bij terugkeer naar Kenia. De aanvallen waren namelijk gericht op het stelen van het vee van eisers oom en niet op eiser persoonlijk. Aangezien eisers oom de vier [naam 2] -leden heeft gedood, zal hij, en niet eiser, doelwit zijn van de wraakactie. Daarbij komt dat eiser geen contact heeft gehad met zijn oom en ook geen informatie heeft verkregen over de huidige situatie in zijn dorp. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond en heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht de minister vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
5. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging en/ofeen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Voorop staat dat de minister de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over wat hij heeft meegemaakt in Kenia niet betwist. Ook is niet in geschil dat veediefstallen en wraakacties plaatsvinden in de regio waar eiser vandaan komt.
7. Eiser voert aan dat hij persoonlijk vreest voor de wraakacties van de [naam 2] -stam. Het door zijn oom doden van de bandieten is allereerst al reden voor wraak en als direct familielid van zijn oom loopt eiser risico slachtoffer daarvan te worden. Daarnaast betoogt eiser dat de brandstichting van het huis van eisers oom bevestigt dat het conflict persoonlijk is geworden. De verklaring van de
chiefvan het dorp4 en de overgelegde foto's van de brand ondersteunen dit. De
chiefheeft in de brief verder verklaard dat er naar eiser
en zijn familie is geïnformeerd na hun vertrek en dat ook hij eisers oom niet kan bereiken. Eiser heeft dan ook concrete inspanningen geleverd om informatie over de situatie in zijn dorp en over zijn oom te verkrijgen.
7.1.
Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Dat de wraakactie van de [naam 2] -stam alleen gericht zou zijn op de oom of diens huis, vindt de rechtbank een ongegronde aanname. De rechtbank vindt daarbij van belang dat eiser heeft gewezen op de context dat in de regio waar hij vandaan komt veel gewelddadige veediefstallen plaatsvinden en dat in dat kader ook wraakacties voorkomen. Op de zitting is gebleken dat de minister dit niet betwist. Verder heeft eiser verklaard dat het conflict een persoonlijk karakter heeft gekregen doordat zijn oom vier [naam 2] -leden heeft gedood, hetgeen op zichzelf al reden voor wraak vormt. De rechtbank stelt vast dat de minister ook dit niet heeft betwist. Daarbij komt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank met zijn verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deel uitmaakte van het gezin van zijn oom en daarom als direct familielid wordt beschouwd. Zo heeft hij verklaard zijn gehele leven bij zijn oom te hebben gewoond en door hem te zijn opgevoed.5 Dit wordt bevestigd door de verklaringen van de
chiefvan het dorp6 en van eisers buurvrouw7, beide vergezeld van een kopie van hun identiteitsbewijs. Daarin staat namelijk vermeld dat eiser sinds zijn jeugd bij zijn oom woont en bovendien worden de neven van eiser daarin als eisers broers aangeduid. Door deze familiaire band heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser als direct doelwit van een wraakactie kan worden beschouwd.
7.2.
Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden tegengeworpen dat eiser concrete inspanningen had kunnen verrichten om informatie over de situatie in zijn dorp en over zijn oom te verkrijgen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn vrees drie verklaringen en een aantal foto's overgelegd die betrekking hebben op de situatie in het dorp. De meest recente daarvan is de verklaring van de
chiefvan 2 december 2025, waarin hij verklaart dat hij sinds het vertrek van eisers oom ook zelf geen contact meer met de oom heeft kunnen krijgen. Verder heeft eiser erop gewezen dat aan de verklaringen van de
chiefmeer gewicht toekomt, aangezien de
chiefde belangrijkste persoon in het dorp is en als zodanig van alle gebeurtenissen daar op de hoogte is. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij zelf meerdere keren heeft geprobeerd zijn oom te bereiken, maar zonder succes. Op de vraag of hij contact heeft kunnen krijgen met zijn neef die samen met zijn oom is gevlucht, heeft eiser toegelicht dat die neef jonger is en niet over een telefoon beschikt. Om die reden heeft hij ook hem niet kunnen bereiken.
7.3.
Ten aanzien van eisers betoog dat de brandstichting en de navraag naar eiser en zijn oom zijn vrees aannemelijk maken, overweegt de rechtbank als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, ook los van de overgelegde foto's, voldoende aannemelijk gemaakt dat de woning van zijn oom in brand is gestoken. De verklaring van de
chiefvan 2 december 20258 dient daartoe als ondersteunend bewijs. Daarin bevestigt de
chiefpersoonlijk dat het huis één dag na eisers vertrek, op 24 augustus 2025, in brand is gestoken, nadat overdag vijf gewapende personen rondom de woning hadden gepatrouilleerd. Verder wordt in die verklaring de tweede aanval door de [naam 2] -stam concreet beschreven. Bij de zienswijze heeft eiser een foto overgelegd van vijf gewapende personen die volgens hem tot de [naam 2] -stam behoren. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat deze foto in zijn dorp is genomen. Ook die foto strekt ter ondersteuning van eisers asielrelaas, nu eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat [naam 2] -leden altijd gewapend zijn, grote ringen in hun oor dragen en sommigen ook een ketting om hun nek dragen9.
7.4.
Hoewel uit de verklaring van de
chiefvan 2 december 2025 niet blijkt wie heeft meegedeeld dat er navraag naar eiser en zijn oom is gedaan, zoals de minister betoogt, wordt daarin wel vermeld dat specifiek naar eisers familie is gevraagd. Het betoog van de minister dat de verklaring van de
chiefgeen op eiser gerichte bedreiging betreft, omdat met
[eiser] 's familyook een ander familielid kan worden bedoeld, volgt de rechtbank niet. De verklaring, gelezen in haar geheel, met de bedreiging
they must find [eiser] 's family and revengebezien in samenhang met gezinssituatie van eiser en de specifieke navraag naar eiser, heeft redelijkerwijs (ook) op eiser betrekking. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaring van de
chieften onrechte niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en in de context van eisers asielaanvraag.
8. In beroep heeft eiser nog een screenshot van een sms-bericht afkomstig van een Keniaans telefoonnummer ingediend. Weliswaar is de afzender van dat bericht niet bekend, maar daarin staat wel een expliciete doodsbedreiging aan het adres van eiser opgenomen, waarbij ook eisers vader wordt genoemd. In de context van eisers asielrelaas en gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 7.1. heeft overwogen, is het aannemelijk dat met de verwijzing naar eisers vader in werkelijkheid eisers oom wordt bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit bericht dienen als ondersteuning van eisers asielrelaas en zijn gestelde vrees. Overigens heeft eiser op de zitting verklaard vaker door hetzelfde nummer te zijn benaderd met een uitnodiging voor een ontmoeting en bang te zijn in een valstrik te worden gelokt.
9. Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, zijn de verklaringen en overgelegde documenten onvoldoende in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven op dit moment geen verder bespreking. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank
vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen op de aanvraag en dient daarbij rekening te houden met deze uitspraak.11
11. Nu het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.12
11 De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
12 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.60204:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;
- draagt de minister op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).
2 Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3 Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4 Verklaring van [persoon 1] van 2 december 2025.
5 Verslag van het nader gehoor van 1 en 8 november 2025, p. 4, 17; Zienswijze van 1 december 2025,
p. 1.
6 Verklaring van [persoon 1] van 29 juli 2025.
7 Verklaring van [persoon 2] van 7 november 2025.
8 Verklaring van [persoon 1] van 2 december 2025.
9 Verslag van het nader gehoor, p. 7, 12.
10 Op grond van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).