Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb
Samenvatting
Inleiding
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
dat hij uiteindelijk weer met zijn gezin in Nederland wil wonen, maar heeft ook erkend dat de verplaatsing naar [land] voor de gehele schoolperiode voor de kinderen van appellant is. Het enkele gegeven dat appellant in Nederland belasting betaalt en voor een Nederlandse werkgever werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn woonplaats had in Nederland en niet in [land].”
“I did indeed work remotely from [land] for slightly more than 25% of my working time.”), naar eigen zeggen 78 van 254 werkdagen in het jaar 2022. Gelet hierop heeft de Svb aannemelijk kunnen achten dat eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in [land] heeft verricht. Dit betekent dat in de periode in geding de wetgeving van de lidstaat waar eiser zijn woonplaats heeft – [land] – op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van Vo 883/2004 van toepassing is.
Guidance Note on COVID-19 pandemicvan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidssystemen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze nota vermeldt immers onder het kopje “4. General principles applying to all cases” onder meer:
“Force majeure has to be considered on a case-by-case basis, but should not be the starting point for each individual case. When competent institutions assess cases linked to the COVID-19 pandemic, by priority the normal rules should still apply. (…)”Dat de peildatum is gelegen in een tijdvak waarin deze nota nog van kracht was, brengt dus – anders dan eiser betoogt – niet mee dat alleen al daarom van overmacht sprake is geweest en dat hem daarom niet had mogen worden tegengeworpen dat hij in het jaar 2022 meer dan 25% vanuit [land] heeft gewerkt.