Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14496

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
SGR 23/5698
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Verordening (EG) 987/2009Art. 13 Verordening (EG) 883/2004Art. 14 Verordening (EG) 883/2004Art. 58 Verordening (EG) 987/2009Art. 68 Verordening (EG) 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens woonplaats en werkzaamheden in buitenland

Eiser vroeg kinderbijslag aan voor het vierde kwartaal van 2022, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat eiser zijn woonplaats in die periode in het buitenland had en meer dan 25% van zijn werkzaamheden daar verrichtte. Eiser was vader van twee minderjarige kinderen die sinds 2020 in het buitenland woonden voor particulier onderwijs.

De rechtbank toetste de aanvraag aan Europese verordeningen en vaste jurisprudentie, waaronder een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en een arrest van de Hoge Raad die het oordeel bevestigden dat eiser zijn gewone centrum van belangen had verplaatst naar het buitenland. Hoewel eiser in Nederland een woning had en belasting betaalde, was het gezin feitelijk in het buitenland gevestigd.

Verder stelde de rechtbank vast dat eiser meer dan 25% van zijn werkzaamheden vanuit het buitenland verrichtte, waardoor de wetgeving van dat land van toepassing was. Het beroep op overmacht vanwege COVID-19 en op prioriteitsregels uit Europese verordeningen faalde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser geen recht had op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022 vanwege zijn woonplaats en werkzaamheden in het buitenland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5698

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om toekenning van kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over het vierde kwartaal van 2022.
1.1.
Het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag is door de Svb ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit op bezwaar beroep ingesteld. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen dit besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van dat in beroep bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb de aanvraag van eiser op juiste gronden heeft geweigerd en daarom in het bestreden besluit terecht bij die beslissing is gebleven. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser is de vader van de kinderen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2010. Op 6 september 2020 zijn de moeder en de kinderen naar [land] verhuisd voor het volgen van particulier onderwijs aan de [schoolnaam].

Procesverloop

3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 5 december 2022. De Svb heeft de aanvraag met het besluit van 28 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 juni 2023 op het bezwaar van eiser is de Svb bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De behandeling van dit beroep is aangehouden in afwachting van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad in de zaak van eiser.
3.4.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door L.S. Greveraars-Volkova, tolk in de Engelse en Russische taal, en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

Was eiser verzekerd voor de AKW en had hij recht op kinderbijslag in het vierde kwartaal van 2022?
Toetsingskader
4. De rechtbank moet beoordelen of eiser recht had op kinderbijslag in de periode waarop de aanvraag ziet. Zij doet dat aan de hand van in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen wet- en regelgeving en de uitleg die daaraan in vaste rechtspraak is gegeven. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Onderdeel van het toetsingskader is ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een eerdere, vergelijkbare zaak van eiser.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] wordt met de term “woonplaats” voor de toepassing van Vo 883/2004 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van Vo 883/2004, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51). [2]
De in de rechtspraak van het Hof neergelegde factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de normale woonplaats van een persoon, zijn nu verwoord in artikel 11, eerste lid, van Vo 987/2009. Deze opsomming is echter niet uitputtend en voorziet niet in een rangorde. Het is aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de normale woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag of de betrokkene in de van belang zijnde periode het gewone centrum van zijn belangen in een andere lidstaat dan Nederland had. [3]
4.2.
In deze zaak is van belang dat de CRvB in zijn uitspraak van 2 november 2023 samengevat heeft geoordeeld dat eiser het gewone centrum van zijn belangen in september 2020 heeft verplaatst van Nederland naar [land], dat hij in twee of meer EU-lidstaten werkzaam is en een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden vanuit [land] verricht voor zijn in Nederland gevestigde werkgever. Eiser was daarom niet voor de AKW verzekerd in de periode van het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. Het tegen voormelde uitspraak van de CRvB ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad bij arrest van 21 november 2025 ongegrond verklaard. [4] De uitspraak van de CRvB staat daarmee in rechte vast. Dat betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van deze zaak moet uitgaan van de juistheid van de in die uitspraak zonder voorbehoud gegeven oordelen.
Woonplaats
4.3.
Niet in geschil is dat eiser staat ingeschreven op het adres [adres] in [plaats 1], waarvan hij in maart 2022 de sleutel heeft gekregen, ruim voor de peildatum in deze zaak (1 oktober 2022). Tijdens het horen in bezwaar heeft eiser verklaard dat als zijn vrouw en kinderen naar Nederland komen, zij in de woning in [plaats 1] verblijven. De rechtbank leidt daaruit af dat woning in [plaats 1] vrijelijk aan eiser en zijn gezin ter beschikking heeft gestaan. Daarmee is echter niet gegeven dat eiser in die woning zijn normale verblijfplaats heeft. Het gaat erom of eisers woning in [plaats 1] ten tijde van de peildatum moet worden aangemerkt als de plaats waar zich het gewone centrum van zijn belangen bevindt.
4.4.
De rechtbank overweegt dat de gezinssituatie van eiser ten tijde van belang niet wezenlijk anders is dan ten tijde van de hiervoor vermelde uitspraak van de CRvB. In die uitspraak is overwogen dat het gezin van eiser naar [land] is verhuisd zodat zijn kinderen particulier onderwijs kunnen volgen aan de [schoolnaam]. De CRvB heeft geoordeeld dat eiser weliswaar heeft verklaard “(…)
dat hij uiteindelijk weer met zijn gezin in Nederland wil wonen, maar heeft ook erkend dat de verplaatsing naar [land] voor de gehele schoolperiode voor de kinderen van appellant is. Het enkele gegeven dat appellant in Nederland belasting betaalt en voor een Nederlandse werkgever werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn woonplaats had in Nederland en niet in [land].”
4.5.
Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank op dit punt tot een ander oordeel zou moeten komen. Dat de verhuizing naar [land] was ingegeven door de COVID-19 epidemie, zoals door eiser voor het eerst op de zitting is gesteld, blijkt nergens uit en leidt daarom niet tot een ander oordeel. De stelling van eiser dat zijn dochter [minderjarige 1] in 2024 haar opleiding heeft afgerond en nu aan de universiteit van [plaats 2] studeert, leidt evenmin tot een ander oordeel omdat [minderjarige 1] ten tijde van belang nog in [land] woonde en onderwijs volgde aan de [schoolnaam] toen de aanvraag werd afgewezen.
4.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de woonplaats van eiser ten tijde van belang in [land] was gelegen.
Werkzaamheden
5. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of eiser gedurende de periode van belang in twee lidstaten werkzaamheden heeft verricht en een substantieel gedeelte daarvan in [land] werd verricht.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat in de periode van belang sprake was van het plegen te verrichten van werkzaamheden meerdere lidstaten, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) 883/2004. Uit het arrest Partena [5] volgt dat voor de beoordeling waar werkzaamheden worden verricht, bepalend is de plaats waar concreet de aan die werkzaamheid verbonden werkzaamheden worden verricht. Dit arrest heeft weliswaar betrekking op gelijksoortige bepalingen in Verordening (EEG) nr. 1408/71, maar er is geen aanleiding op dit punt voor de toepassing van de nu aan de orde zijnde bepalingen anders te oordelen. De in het arrest geformuleerde regel geldt ook voor telewerken of thuiswerken. In het geval van eiser was hij in Nederland werkzaam voor zijn Nederlandse werkgever en was hij in [land] werkzaam op afstand voor dezelfde Nederlandse werkgever.
5.2.
Eiser heeft in beroep verklaard dat hij meer dan 25% vanuit [land] heeft gewerkt (
“I did indeed work remotely from [land] for slightly more than 25% of my working time.”), naar eigen zeggen 78 van 254 werkdagen in het jaar 2022. Gelet hierop heeft de Svb aannemelijk kunnen achten dat eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in [land] heeft verricht. Dit betekent dat in de periode in geding de wetgeving van de lidstaat waar eiser zijn woonplaats heeft – [land] – op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van Vo 883/2004 van toepassing is.
Beroep op overmacht / Guidance Note on COVID-19 pandemic
5.3.
De verwijzing door eiser naar de
Guidance Note on COVID-19 pandemicvan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidssystemen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze nota vermeldt immers onder het kopje “4. General principles applying to all cases” onder meer:
“Force majeure has to be considered on a case-by-case basis, but should not be the starting point for each individual case. When competent institutions assess cases linked to the COVID-19 pandemic, by priority the normal rules should still apply. (…)”Dat de peildatum is gelegen in een tijdvak waarin deze nota nog van kracht was, brengt dus – anders dan eiser betoogt – niet mee dat alleen al daarom van overmacht sprake is geweest en dat hem daarom niet had mogen worden tegengeworpen dat hij in het jaar 2022 meer dan 25% vanuit [land] heeft gewerkt.
Tussenconclusie
6. De Svb heeft dus terecht vastgesteld dat op eiser in periode in geding niet de Nederlandse maar de [land] socialezekerheidswetgeving van toepassing was en dat hij daarom niet verzekerd was voor de AKW.
Overige beroepsgronden
Beroep op artikel 58 van Pro Verordening (EG) 987/2009
7. Het beroep van eiser op artikel 58 van Pro Verordening (EG) 987/2009 slaagt niet. Dit artikel bepaalt immers de prioriteitsregels bij samenloop van gezinsbijslagen wanneer meerdere lidstaten tegelijkertijd recht geven op een uitkering voor hetzelfde kind. Die situatie doet zich hier net voor, nu eiser in Nederland niet verzekerd was voor de AKW zodat van samenloop geen sprake is.
Beroep op artikel 68 van Pro Verordening (EG) 883/2004
8. Het beroep van eiser op artikel 68 van Pro Verordening (EG) 883/2004 slaagt evenmin. De voorrangsregels van dit artikel dienen om cumulatie van gezinsbijslag voor hetzelfde gezinslid voor hetzelfde tijdvak te voorkomen. Van cumulatie is sprake als één persoon gelijktijdig recht heeft op twee verschillende gezinsbijslagen of als twee verschillende personen, bijvoorbeeld beide ouders, recht hebben op gezinsbijslagen voor een zelfde kind. Bij samenloop van rechten worden ingevolge artikel 68, tweede lid, van Verordening (EG) 883/2004 de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat die volgens het eerste lid van artikel 68 van Pro Verordening (EG) 883/2004 als prioritair is aangemerkt. Van cumulatie is hier echter niet gebleken.
Beleidsregels
9. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de beleidsregels waar de Svb naar verwijst, met name SB2328 en ook het Besluit Beleidsregels SVB 2016, kunnen leiden tot afwijzing van de aanvraag. Die beleidsregel geeft invulling aan het concept ‘uitkeringen van dezelfde aard’, wat essentieel is voor de toepassing van de prioriteitsregels van artikel 68 van Pro Verordening (EG) 883/2004. Dat is hier niet aan de orde.
De status van eiser als verzekerde
10. Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat raadpleging van ‘Mijn SVB’ erop lijkt te wijzen dat hij momenteel in het geheel niet in Nederland is verzekerd. De rechtbank overweegt dat zich in het dossier geen besluit bevindt waaruit dat blijkt of dat hierover een beslissing is genomen. Of eiser op dit moment al dan niet verzekerd is voor andere volksverzekeringen, zoals de AOW, staat in deze procedure ook niet ter toetsing. Op de zitting is eiser door de Svb gewezen op de mogelijkheid om een verzoek in te dienen om duidelijkheid te krijgen over zijn status als verzekerde. Op dat verzoek zal een besluit genomen worden waartegen eiser desgewenst in bezwaar kan gaan.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EG) 883/2004
Artikel 1 Definities Pro
Voor de toepassing van deze verordening:
j) wordt onder „woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen;
k) wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats.
Artikel 13 Verrichten Pro van werkzaamheden in twee of meer lidstaten
1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
a. a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten,
of
b) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont.
Verordening (EG) 987/2009
Artikel 11 Gegevens Pro voor de vaststelling van de woonplaats
1. Indien tussen de organen van twee of meer lidstaten een verschil van mening bestaat over de vaststelling van de woonplaats van een persoon op wie de basisverordening van toepassing is, stellen deze organen in onderlinge overeenstemming het centrum van de belangen van de betrokkene vast op basis van een algemene beoordeling van alle beschikbare informatie met betrekking tot relevante feiten. Hiertoe behoren onder meer, in voorkomend
geval:
a. a) de duur en de continuïteit van de aanwezigheid op het grondgebied van de betrokken lidstaten;
b) de persoonlijke situatie van de betrokkene, waaronder:
i. i) de aard en de specifieke kenmerken van de uitgeoefende werkzaamheden, met name de plaats waar deze gewoonlijk worden uitgeoefend, het stabiele karakter van de werkzaamheden of de duur van een arbeidsovereenkomst;
ii) de gezinssituatie en de familiebanden;
iii) de uitoefening van onbezoldigde werkzaamheden;
iv) in het geval van studenten, de bron van hun inkomsten;
v) de huisvestingssituatie, met name hoe permanent deze is;
vi) de lidstaat waar de betrokkene geacht wordt te wonen voor belastingdoeleinden.
2. Indien de organen het na afweging van de in lid 1 genoemde, op relevante feiten gebaseerde criteria niet eens kunnen worden, wordt de intentie van de betrokkene, zoals deze blijkt uit de feiten en omstandigheden, met name de redenen om te verhuizen, voor de vaststelling van zijn woonplaats als doorslaggevend beschouwd.’
Artikel 14, achtste lid
‘Voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening betekent een „substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst” in een lidstaat worden verricht dat een kwantitatief substantieel deel van alle werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst daar wordt verricht, zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel van deze werkzaamheden hoeft te gaan.
De beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, gebeurt mede op grond van de volgende indicatieve criteria:
a. a) in geval van een werkzaamheid in loondienst, de arbeidstijd en/of de bezoldiging, en
b) in geval van een werkzaamheid anders dan in loondienst, de omzet, de arbeidstijd, het aantal verleende diensten en/of het inkomen.
In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25% voor de bovengenoemde criteria als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.’

Voetnoten

1.Vergelijk de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10 en I vs Health Service van 5 juni 2014, C-255/13.
2.Zie de uitspraak CRvB van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:876.
3.Zie de uitspraak CRvB van 2 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2028.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 september 2012, Partena, C-137/11, ECLI:EU:C:2012:593.