ECLI:NL:RBDHA:2026:1450

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1537
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling tijdens asielprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die aan eiser is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, terwijl de asielprocedure van eiser nog liep. Eiser betoogde dat de maatregel onrechtmatig was, omdat hij niet op de hoogte was gesteld van de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag op 15 december 2025, en dat hij daardoor niet in staat was om tijdig beroep in te stellen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister op de zitting heeft erkend dat de b-grond van artikel 59b, eerste lid, was komen te vervallen door de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag op 17 januari 2026. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring op basis van artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 rechtmatig was, omdat deze een deugdelijke wettelijke grondslag bood voor het in bewaring stellen van een vreemdeling die zich in een asielprocedure bevindt. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de overige gronden die door de minister zijn aangevoerd voldoende waren om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Uiteindelijk werd het beroep van eiser ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1537

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Mag eiser in bewaring worden gesteld terwijl er nog een asielvraag loopt?
1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig aan hem is opgelegd, omdat in de maatregel staat dat hij op 15 december 2025 een afwijzing van zijn asielaanvraag heeft ontvangen op de asielaanvraag die hij op 17 november 2025 had ingediend. In de maatregel van bewaring staat dat eiser zich niet zou hebben gehouden aan de vertrektermijn die in het besluit van 15 december 2025 staat. Eiser heeft deze beschikking echter niet op die datum ontvangen. De beslissing op zijn (eerste) asielaanvraag is pas op 13 januari 2026 aan eisers gemachtigde verzonden. Eiser had op 2 januari 2026 een tweede asielaanvraag ingediend. Op die aanvraag heeft de minister op 17 januari 2026 afwijzend beslist. Als de beslissing op de eerste asielaanvraag van eiser wel op 15 december 2025 aan hem was uitgereikt dan had eiser daar, voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring, beroep tegen kunnen instellen en dan had hij dit beroep in Nederland mogen afwachten.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting heeft toegelicht dat de b-grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 is komen te vervallen doordat eisers herhaalde asielaanvraag van 2 januari 2026 op 17 januari 2026 is afgewezen. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 een deugdelijke wettelijke grondslag is om een vreemdeling die zich nog in een asielprocedure bevindt in bewaring te stellen. Op grond van deze bepaling kan een vreemdeling in bewaring worden gesteld, zowel in de situatie dat hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag en (daardoor) rechtmatig verblijf heeft, als wanneer hij een rechtsmiddel tegen de afwijzing daarvan heeft ingesteld en tijdig een voorlopige voorziening heeft gevraagd. [1] Dat de beslissing van 15 december 2025 pas op 13 januari 2026 aan eisers gemachtigde is uitgereikt, doet er dan ook niet aan af dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid onder a, van de Vw 2000 in bewaring mocht worden gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft op de zitting erkend dat in de maatregel ten onrechte is gesteld dat eiser op 15 december 2025 een terugkeerbesluit heeft ontvangen en zich niet heeft gehouden aan de terugkeerverplichting. Daarom heeft hij de zware grond 3c op de zitting laten vallen. Ook heeft de minister toegelicht dat, zoals ook onder 1.1 overwogen, de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser [2] en niet langer met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. [3]
2.2.
Eiser heeft de overgebleven zware en lichte gronden niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank blijven er voldoende gronden over om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8, onder f en h, van de Vw 2000.
2.Zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
3.Zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).