Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eisers sub 1] te [woonplaats],2. [eisers sub 2] te [woonplaats],3. [eisers sub 3] V.O.F. te [vestigingsplaats],
INTERPOLIS, te Den Haag,
1.De procedure
- de akte uitlaten van Interpolis met daarbij producties 3 – 4;
2.De feiten
Ten gevolge van de brand op 17 juni 2024 was niet te achterhalen of de hiervoor genoemde afwijkingen daadwerkelijk waren verholpen. Na de her-inspectie op 29 augustus 2024 waren alle afwijkingen met uitzondering van 5 in de schuur verholpen. Op grond van de uitgevoerde analyse van de overgebleven 5 afwijkingen kan met zekerheid worden gesteld dat de elektrische installatie volledig voldoet aan de bepalingen “Elektrische installatie voor laagspanning NEN 1010”.
Uit de verklaringen die aanwezig zijn, is te achterhalen dat de brand in de werkplaats van de schuur moet zijn ontstaan. Gezien de restanten die aanwezig zijn, van de verdeelinrichting en de omvormers, zal de brand niet in het rechtergedeelte van de werkplaats zijn ontstaan maar mogelijk in het midden of aan de linkerkant van de werkplaats.
Op grond van de uitgevoerde onderzoeken door [expertisebureau] B.V., Safetyspec en de verklaringen van de getuigen en de uitgevoerde analyse is zodoende met zekerheid te stellen dat er geen causaal verband aanwezig is tussen het ontstaan van de brand en de elektrische installatie. Hierdoor is de elektrische installatie als mogelijke oorzaak van het ontstaan van de brand definitief uitgesloten.
De brand is in de werkplaats van de schuur ontstaan waardoor de zonnepanelen op het dak zijn uitgesloten van het ontstaan van de brand. Gezien de restanten die aanwezig zijn, van de verdeelinrichting en de omvormers, zal de brand niet in het rechtergedeelte van de werkplaats zijn ontstaan maar mogelijk in het midden of aan de linkerkant van de werkplaats. Hierdoor zijn de omvormers van de PV-installatie eveneens uitgesloten van het ontstaan van de brand.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
minstenselke vijf jaar na de vorige inspectie moet herhalen. [eisers] heeft, tot aan de inspectie door [inspectiebureau], de installatie laatstelijk op 6 januari 2017 laten inspecteren. Dat maakt dat vanaf 6 januari 2022 niet aan de inspectievoorwaarde is voldaan, waar ook door Interpolis op is gewezen. Dat maakt dat [eisers] grotendeels aan zichzelf te wijten heeft dat zij nu in deze ongelukkige situatie terecht is gekomen.
aantoonbaarherstellen van de gebreken is in zoverre dus niet voldaan. Desalniettemin heeft [inspectiebureau] aan de hand van foto’s nog getracht om – achteraf – vast te stellen of de geconstateerde gebreken ten tijde van de brand al waren opgelost. Dat heeft [inspectiebureau], ook in tweede instantie naar aanleiding van bezwaren van [eisers] (zie hiervoor onder 2.17) echter niet kunnen vaststellen, mede omdat hiervoor metingen noodzakelijk waren die niet meer kunnen worden uitgevoerd.
datde geconstateerde gebreken niet waren hersteld. De beslissing dat niet aan de verzekeringsvoorwaarden is voldaan staat daarom niet aan in de weg aan de mogelijkheid van [eisers] om te bewijzen dat de geconstateerde gebreken ten tijde van de brand al waren opgelost en om die reden niet de (mede)oorzaak van de schade kunnen zijn geweest. Die (mogelijke) stelling van [eisers] valt dus niet binnen de hiervoor bedoelde bindende eindbeslissing.
5.De beslissing
woensdag 10 juni 2026voor uitlating door [eisers] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken, indien zij daar reeds over beschikt, dan direct in het geding moet brengen. Indien [eisers] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen en zij nog niet over (al) die stukken beschikt, kan zij de rechtbank op voornoemde rolzitting verzoeken haar daartoe een nadere termijn te verlenen,
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustustot en met
novemberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,