ECLI:NL:RBDHA:2026:14516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL25.58895
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbVreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit naar Marokko zonder vertrektermijn

De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 een terugkeerbesluit op aan eiser, die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser kon geen verblijfsrecht in Europa aantonen en kreeg een onmiddellijke vertrektermijn vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De minister baseerde het besluit op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan identificatie, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

Eiser voerde aan dat hij zelf vrijwillig wilde vertrekken en dat de minister ten onrechte geen vertrektermijn had gegeven. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht van een vertrektermijn kon afzien vanwege het risico op onttrekkingsgedrag, mede omdat eiser alleen wilde vertrekken als hij werk en verblijfsrecht in Europa had.

Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat er geen risico op refoulement bestond. De rechtbank stelde vast dat de minister dit risico voldoende had beoordeeld, mede omdat eiser zelf had verklaard geen vervolging of onmenselijke behandeling in Marokko te vrezen. Ook verwees de rechtbank naar een eerdere uitspraak waarin de refoulementtoets bij een maatregel van bewaring was beoordeeld en als toereikend werd bevonden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de proceskostenveroordeling af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de minister heeft terecht geen vertrektermijn gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58895

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser is op 20 november 2025 gehoord over het voornemen om aan hem een terugkeerbesluit op te leggen. Vervolgens heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit naar Marokko opgelegd. Eiser kon niet aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Europa. Eiser is een onmiddellijke vertrektermijn gegeven, omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden zijn aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Als lichte gronden heeft de minister vermeld dat eiser zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ten slotte heeft de minister geen redenen gezien om af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit.
Had de minister eiser een termijn voor vrijwillig vertrek moeten bieden?
3. Eiser betoogt dat er onvoldoende gronden zijn die het terugkeerbesluit kunnen rechtvaardigen, nu eiser heeft aangegeven zelf uit Nederland te willen vertrekken.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft van het verlenen van een termijn voor vrijwillig vertrek kunnen afzien, De minister heeft namelijk voldoende gemotiveerd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt in dat kader vast dat eiser de (overige) zware en lichte gronden die aanleiding geven voor die conclusie niet heeft betwist. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard alleen vrijwillig terug te willen keren naar Marokko als hij werk en een verblijfsvergunning heeft in Europa. [2] De minister heeft dan ook terecht de conclusie getrokken dat eiser te kennen heeft gegeven niet terug te willen keren, dan wel mee te werken aan zijn gedwongen terugkeer naar Marokko.
Heeft de minister (deugdelijk) beoordeeld of er een risico bestaat op refoulement?
4. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd, nu niet uit het besluit blijkt dat de minister een beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch. [3]
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende getoetst aan het beginsel van non-refoulement bij het opleggen van het terugkeerbesluit. In het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is aan eiser gevraagd of hij te vrezen heeft voor vervolging of een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Marokko, waarop eiser heeft geantwoord dat dit niet het geval is. Vervolgens heeft eiser alleen verklaard niet terug te willen naar Marokko omdat hij werk heeft in Europa. [4] Nu eiser geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit een risico op refoulement blijkt, heeft de minister het terugkeerbesluit op dit punt voldoende gemotiveerd door te volstaan met de overweging dat niet is gebleken dat van oplegging ervan zou moeten worden afgezien. De uitspraak waar eiser naar verwijst maakt de conclusie niet anders, nu het in die uitspraak ging om de vraag of een terugkeerbesluit, waarvan is vastgesteld dat daarin geen refoulementsbeoordeling heeft plaatsgevonden, als grondslag kan dienen voor de inbewaringstelling van een vreemdeling.
4.2.
Volledigheidshalve wijst de rechtbank er nog op dat er ook een refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden in de maatregel van bewaring die op dezelfde datum als het terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 december 2025 [5] , in het beroep tegen de opgelegde maatregel van bewaring, geoordeeld dat ook deze refoulementbeoordeling de toets der kritiek kan doorstaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Proces-verbaal van gehoor bij terugkeerbesluit van 20 november 2025, pagina. 3.
4.Proces-verbaal van gehoor bij terugkeerbesluit van 20 november 2025, pagina. 3.
5.Zaaknummer NL25.57099.