Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
24/8471
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1 WlzArt. 2.1.3 WlzArt. 2 ZvwArt. 9a ZvwArt. 9b Zvw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering volgens de Zorgverzekeringswet

Eiser kreeg een boete van €496,74 opgelegd door het CAK omdat hij geen zorgverzekering had afgesloten binnen de gestelde termijn, conform de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij verbleef in een zorginstelling en ontving zijn post op een postadres. Eiser stelde dat hij de aanmaning en het boetebesluit niet had gelezen omdat hij zijn post niet had opgehaald en dat hij vanwege ADHD en ASS begeleiding nodig had. Hij voerde aan dat de instelling verantwoordelijk was voor het ophalen van zijn post en verzocht om kwijtschelding van de boete wegens overmacht.

De rechtbank oordeelde dat eiser weliswaar in een instelling verbleef, maar dat de post correct was bezorgd op het bij de Basisregistratie Personen geregistreerde adres. Het niet ophalen van de post was voor rekening en risico van eiser. De rechtbank stelde dat het zijn verantwoordelijkheid was om afspraken te maken over het ophalen van zijn post, ook als hij zelf niet in staat was dit te doen. De door eiser aangevoerde omstandigheden rechtvaardigden geen afzien van de boete op grond van artikel 5:41 Awb Pro. Ook was er geen reden om de boete te verlagen op grond van artikel 5:46, derde lid, Awb.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek tot kwijtschelding af en bepaalde dat eiser het griffierecht niet terugkrijgt. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter T.A. Oudenaarden op 5 juni 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8471

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het CAK, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van verweerder tot oplegging aan eiser van een boete van € 496,74 omdat hij geen zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) heeft afgesloten. Eiser is het met dat besluit niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 1 juli 2024 heeft verweerder eiser een boete opgelegd van
€ 496,74, vanwege het niet hebben van een zorgverzekering in de zin van de Zvw. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit in de instelling [zorginstelling] (de instelling) in [plaats 1]. Zijn postadres was [adres] in [plaats 2].
3.1.
In de brief van 22 maart 2024 heeft verweerder eiser een aanmaning gestuurd, omdat was geconstateerd dat eiser geen zorgverzekering had in de zin van de Zvw. Verweerder heeft eiser meegedeeld dat eiser binnen drie maanden, dus vóór 22 juni 2024, een zorgverzekering in de zin van de Zvw moet afsluiten. Doet hij dit niet (tijdig) dan zal een boete worden opgelegd.
3.2.
In het besluit van 1 juli 2024 – dat in het bestreden besluit is gehandhaafd – heeft verweerder eiser een boete van € 496,74 opgelegd, omdat eiser na het verstrijken van de gestelde termijn nog steeds geen zorgverzekering in de zin van de Zvw had afgesloten. Verweerder is dan ook gehouden om eiser een boete op te leggen, aldus het besluit. Er zijn geen omstandigheden die maken dat het niet aan eiser te wijten is dat hij niet op tijd een zorgverzekering heeft afgesloten. Verder is er volgens het besluit geen reden om de boete kwijt te schelden.
3.3.
Eiser voert aan dat hij de aanmaning van 22 maart 2024 en het besluit van 1 juli 2024 niet had opgehaald en dus niet gelezen had dat hij een zorgverzekering moest afsluiten. Hij zit in een instelling in [plaats 1] en zijn post ontvangt hij op zijn postadres in [plaats 2]. Inmiddels heeft hij zijn post opgehaald en daarbij zaten ook de aanmaning van 22 maart 2024 en het besluit van 1 juli 2024. Eiser heeft ADHD en ASS en heeft daarom begeleiding nodig. Hij heeft niet zijn post opgehaald omdat hij daarin niet is begeleid door de instelling. Eiser vindt dat niet hij maar de instelling verantwoordelijk is voor het ophalen van zijn post. Inmiddels heeft eiser een zorgverzekering afgesloten bij CZ en doet zijn moeder, eisers gemachtigde, zijn administratie. Eiser verzoekt om kwijtschelding van de boete wegens overmacht.
3.4.
Op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, van de Wet langdurige zorg (Wlz) is overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene verzekerd die ingezetene is.
3.5.
In artikel 2.1.3 van de Wlz is bepaald dat de Sociale verzekeringsbank (SVB) ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vaststelt of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.
3.6.
In artikel 2, eerste lid, van de Zvw is bepaald dat degene die ingevolge de Wlz en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren.
3.7.
Op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Zvw gaat het CAK op basis van vergelijking van bij ministeriële regeling aan te wijzen bestanden na welke verzekeringsplichtigen in weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering verzekerd zijn.
3.8.
Op grond van het tweede lid van artikel 9a van de Zvw zendt het CAK een verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke aanmaning om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo’n verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.
3.9.
Op grond van artikel 9b, eerste en tweede lid, van de Zvw legt het CAK, indien een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is verzonden, niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is, een bestuurlijke boete op. De hoogte van de boete is gelijk aan driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie.
3.10.
In artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
3.11.
In artikel 5:46, derde lid, van de Awb is bepaald dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
3.12.
Niet in geschil is dat eiser ten tijde in geding op grond van artikel 2 van Pro de Zvw verzekeringsplichtig was. Ook staat vast dat eiser niet heeft voldaan aan de aanmaning om binnen de gestelde termijn van 3 maanden alsnog een zorgverzekering af te sluiten. Reeds gelet hierop was verweerder verplicht op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw hem een boete op te leggen.
3.13.
De rechtbank begrijpt eisers verzoek om kwijtschelding van de boete wegens overmacht zo, dat hij daarmee een beroep doet op het afzien van het opleggen van een boete op grond van artikel 5:41 van Pro de Awb. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor toepassing van artikel 5:41 van Pro de Awb geen aanleiding hoefde te zien. Wat eiser in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, leidt niet tot de conclusie dat hem geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van het feit dat hij, nadat hij daartoe was gemaand in de brief van 22 maart 2024, niet tijdig een zorgverzekering in de zin van de Zvw heeft gesloten. Verweerder heeft alle brieven die aan eiser zijn gericht, dus de aanmaning, het besluit van 1 juli 2024 en het bestreden besluit van 25 september 2024, verstuurd naar eisers adres in [plaats 2], waar hij volgens de Basisregistratie personen stond ingeschreven. Eiser heeft niet gesteld dat het CAK de post naar een ander adres had moeten sturen, en er is ook niet gebleken van concrete aanwijzingen op grond waarvan het CAK dat had moeten doen. Het staat ook vast dat de post op het adres in [plaats 2] is bezorgd. In het beroepschrift merkt eiser op dat zijn post op het postadres inmiddels is opgehaald en dat hij de aanmaning van 22 maart 2024 en het besluit van 1 juli 2024 heeft ontvangen. Aangezien eiser tijdig beroep heeft ingesteld en daarbij het bestreden besluit heeft meegestuurd, blijkt daaruit dat hij dat besluit ook heeft ontvangen en gelezen.
Dat eiser kennelijk lange tijd zijn post niet ophaalde of liet ophalen op zijn postadres en daardoor zijn post te laat las komt voor zijn rekening en risico. Het is in de eerste plaats zijn verantwoordelijkheid – of, in voorkomend geval, de verantwoordelijkheid van zijn wettelijk vertegenwoordiger – om, indien hij niet in staat is zijn post zelf op te halen, duidelijke afspraken te maken met anderen over het ophalen daarvan. Voor zover eiser van mening is dat de instelling in gebreke is gebleven voor wat betreft het ophalen van zijn post, kan hij dat aankaarten bij die instelling. Overigens blijkt uit het dossier dat eisers moeder dat ook heeft gedaan.
Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding.
3.14.
Voor zover eiser een beroep doet op artikel 5:46, derde lid, van de Awb overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is tot het opleggen van een lagere boete, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De rechtbank verwijst daarbij naar wat zij hiervoor heeft overwogen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.