Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 18 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2026 en stelde het onderzoek open om verweerder toe te staan een nadere toelichting te geven over de datum van het vertrekgesprek. Verweerder gaf aan dat het vertrekgesprek op 22 mei 2026 plaatsvond, ondanks dat het verslag een datum van 26 mei 2026 vermeldde, wat een kennelijke verschrijving betrof. De rechtbank achtte dit aannemelijk en concludeerde dat verweerder voortvarend had gehandeld.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van een vertrekbeschikking, feitelijk juist waren. Eiser had Nederland niet verlaten en niet meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. De lichte gronden behoefden geen nadere bespreking omdat de zware gronden voldoende waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.