ECLI:NL:RBDHA:2026:14601
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde op 21 mei 2026 het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser had wisselende verklaringen gegeven over zijn bereidheid zelfstandig te vertrekken, waardoor verweerder terecht koos voor uitzetting met escorts. De rechtbank benadrukte de meewerkplicht van eiser en concludeerde dat het niet voldoen daaraan voor zijn risico komt, waardoor een redelijk vooruitzicht op verwijdering kan worden aangenomen.
Gezien de afhankelijkheid van verweerder van de medewerking van buitenlandse autoriteiten en de voortvarendheid van verweerder, oordeelde de rechtbank dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.