Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14602

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring in grensdetentie asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde op 21 mei 2026 het beroep van eiser tegen het besluit van 24 april 2026 waarbij verweerder een maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Tijdens de zitting verklaarde eiser dat hij niet ziek is en niet detentieongeschikt, en werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het opleggen van de maatregel zouden rechtvaardigen om het grensbewakingsbelang te laten wijken. De rechtbank constateerde dat het stotteren van eiser door stress verergerde, maar dit werd niet als een bijzondere individuele omstandigheid gezien.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was toegepast en voortduurde zonder onrechtmatigheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26391
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Osman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Vreemdelingen die aan de grens asiel vragen mogen de uitkomst van hun asielprocedure in de grensdetentie afwachten. Dit is niet alleen in Nederland, maar in het gehele Schengengebied. In de grensprocedure worden alleen asielaanvragen behandeld die zich daar voor lenen en waarvan al duidelijk is dat die niet gaan leiden tot een toewijzing. De rechtbank ziet geen aanwijzing dat verweerder verkeerd heeft gehandeld. Dan blijft de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het grensbewakingsbelang prijs dient te worden gegeven. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en wel om het volgende. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet ziek is of detentieongeschikt. Ook zijn er geen andere bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat verweerder eiser de toegang had moeten verlenen. De rechtbank heeft ter zitting gezien dat eiser stottert en dat het stotteren erger wordt door de stress. De rechtbank snapt dat het voor eiser voelt alsof hij als crimineel wordt behandeld nu hij in de gevangenis vastzit. Echter dit zijn geen bijzondere, individuele omstandigheden die verweerder aanleiding moesten geven om van de oplegging van de maatregel af te zien en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven.
2. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [1] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.