ECLI:NL:RBDHA:2026:14621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26/2056
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor ophoging persoonsgebonden budget jeugdwet

Verzoekster, wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige met een autismespectrumstoornis, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding te verhogen van 25 naar 40 uur per week voor een periode van een jaar. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en beoordeeld.

De minderjarige heeft een grote zorgbehoefte en gaat minder vaak naar een zorginstantie omdat hij de leeftijdsgrens heeft bereikt. Verzoekster verzorgt en begeleidt hem thuis, maar het college heeft het pgb toegekend voor 25 uur per week, mede omdat het pgb niet bedoeld is als inkomensondersteuning en het verzoek vooral een financieel belang betreft. Het college erkent de zorglast maar wijst op het ontbreken van overbelasting die een hogere pgb rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het geschil financieel van aard is en er geen acute nood of onomkeerbare situatie is. Ook is het evident onrechtmatig karakter van het besluit niet aangetoond. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor ophoging van het pgb wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2056

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige],uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college.

(gemachtigde: [gemachtigde 2])

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toekenning van jeugdhulp aan [minderjarige] op grond van de Jeugdwet (Jw). Verzoekster is het niet eens met de omvang en duur van het toegekende pgb voor individuele begeleiding. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van de voorziening die verzoekster heeft gevraagd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit van 9 maart 2026 aan [minderjarige] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor individuele begeleiding tegen het informele tarief van € 20,- per uur en voor 25 uur per week over de periode van 1 maart 2026 tot en met 31 mei 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat een pgb voor 40 uur per week wordt toegekend, voor de periode van een jaar.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, en de gemachtigde van het college vergezeld door [naam].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015, is bekend met een autismespectrumstoornis, een ontwikkelingsachterstand en een laag IQ. Verzoekster is de primaire verzorger van [minderjarige]. [minderjarige] ging voorheen vijf dagen per week naar [zorginstantie]. Deze voorziening is bedoeld voor kinderen tot tien jaar oud. [minderjarige] heeft deze leeftijd inmiddels bereikt en de voorziening past niet meer bij zijn behoeften. [minderjarige] gaat daarom nog maar drie dagdelen per week naar [zorginstantie]. Verzoekster is al lange tijd op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige]. Om de toename van benodigde zorg voor [minderjarige] te ondervangen heeft verzoekster gevraagd om een ophoging van het pgb voor individuele begeleiding van 15 uur per week naar 40 uur per week.
3.1.
Bij het bestreden besluit heeft het college een pgb voor individuele begeleiding toegekend van 1 maart 2026 tot en met 31 mei 2026 voor 25 uur per week. Blijkens het verweerschrift heeft het college aansluiting gezocht bij het door verzoekster overgelegde overzicht waaruit volgt dat zij 40 uur per week ADL-zorg verleent en persoonlijke begeleiding biedt aan [minderjarige]. Omdat verzoekster op dit moment niet werkzaam is ligt de draaglast anders. Het college erkent dat de zorg voor [minderjarige] veel van verzoekster vraagt en heeft daarom gekozen om, ondanks dat dit weinig bijdraagt aan de ontwikkeling van [minderjarige], de zorg bij [zorginstantie] te laten voortduren. Daarnaast merkt het college op dat de aanvraag bedoeld is om verzoekster te ontlasten. Het zou in strijd met de strekking van de aanvraag zijn een hoger pgb toe te kennen waarmee verzoekster juist meer wordt ingezet voor de zorg van [minderjarige]. Het toekennen van een pgb zou in dat geval uitsluitend een financieel doel zou dienen. Voor het verkrijgen van inkomsten bestaan echter andere voorzieningen. Het gegeven dat verzoekster om een pgb verzoekt om zelf voor [minderjarige] te zorgen impliceert volgens het college dat verzoekster thans op eigen kracht in staat is de zorg voor [minderjarige] te dragen, zonder dat er sprake is van overbelasting. De directe verzorging en opvoeding van [minderjarige] valt immers onder de eigen verantwoordelijkheid van de ouders en deze kosten komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet als er sprake is van bovengebruikelijke zorg. Er is bewust gekozen voor een verstrekking van drie maanden omdat het college verwacht dat [minderjarige] binnen deze termijn kan doorstromen naar een passende voorziening.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist
4.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang; in dit geval moet bijvoorbeeld blijken dat niet kan worden gewacht op een beslissing op het bezwaarschrift. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit
.Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. Het volgende is hierbij van belang.
4.3.
Verzoekster wil met haar verzoek in feite bereiken dat zij een hoger pgb ontvangt voor haar zorg voor [minderjarige]. Dit is dus een financieel belang. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Er zal dan geen voorlopige voorziening getroffen worden.
4.4.
Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat een hoger pgb voor financiële zekerheid en meer rust en stabiliteit zou kunnen zorgen bij verzoekster, is niet gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt door acute financiële nood. Bovendien is een pgb op grond van de Jw niet bedoeld als een vorm van inkomensondersteuning. Voor het verkrijgen van inkomsten bestaan er andere voorzieningen. Voor zover verzoekster aanvoert dat er sprake is van jarenlange, structurele overbelasting door haar zorg voor [minderjarige] overweegt de voorzieningenrechter dat hij zich goed kan voorstellen dat verzoekster die overbelasting ervaart, maar het ophogen van het pgb kan dat probleem niet oplossen. De zorgbehoefte van [minderjarige] en de mate waarin verzoekster deze vervult blijft immers gelijk. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [minderjarige] een grote zorgbehoefte heeft en dat de huidige voorziening niet passend is, zodat er zo snel mogelijk een geschikte vervolgplek voor hem moet worden gezocht. Zo’n plek is echter nog niet gevonden, en ook dat is een probleem dat met de door verzoekster gevraagde ophoging en verlenging van het pgb niet kan worden opgelost.
4.5.
Nu er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of de besluiten in de bezwaarprocedure in stand blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.

Conclusie

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.