Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14627

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.3870
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring beroep asielaanvraag

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 16 januari 2026, waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen en een terugkeerbesluit werd opgelegd. Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit tijdelijk te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 17 april 2026 behandeld, samen met het hoofdberoep. Op 1 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het samenhangende beroep gegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is.

De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat het beroep gegrond is verklaard, wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3870

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld [1] en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van verzoeker. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, mr. M. Pater, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af.
3. Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoeker vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Voor het verschijnen ter zitting is in de uitspraak op het beroep al een punt toegekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL26.3869.