Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/2837
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:21 AwbArt. 1:441 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toestemming bewindvoerder

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Centraal Administratiekantoor (CAK) van 13 januari 2026. Uit het dossier blijkt dat eiser onder bewind staat bij Fidinda CBM B.V., waarbij de kantonrechter te Leiden op 18 maart 2015 bewind heeft ingesteld wegens lichamelijke of geestelijke toestand.

Volgens artikel 8:21 Awb Pro moeten natuurlijke personen die onbekwaam zijn om in rechte te staan, vertegenwoordigd worden door hun vertegenwoordiger. Eiser heeft echter zonder toestemming of volmacht van zijn bewindvoerder het beroep ingesteld. De rechtbank heeft de bewindvoerder gevraagd om instemming, maar deze heeft verklaard geen toestemming te geven vanwege de geestelijke toestand van eiser.

De rechtbank concludeert dat eiser niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van toestemming van de bewindvoerder.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2837

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

Inleiding

Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 13 januari 2026 met kenmerk 62867172 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. Uit de dossierstukken blijkt dat eiser onder bewind staat bij Fidinda CBM B.V. (hierna: Fidinda).
2. Uit het bewindregister blijkt dat de kantonrechter te Leiden op 18 maart 2015 een bewind heeft ingesteld over de (toekomstige) goederen wegens lichamelijke of geestelijke toestand.
3. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
4. Eiser heeft zonder zijn bewindvoerder beroep ingesteld. Bij het instellen van het beroep is geen volmacht van zijn bewindvoerder overlegd.
5. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of zij instemt met het beroep van eiser. Hierop heeft [naam] van Fidinda geantwoord dat geen toestemming is verleend en dat gezien de geestelijke toestand van eiser ook niet alsnog toestemming zal worden verleend. Dit betekent dat eiser niet over de vereiste toestemming van zijn bewindvoerder beschikt om te procederen.
6. Niet gebleken is dat eiser tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Omdat eiser onbekwaam is om beroep in te stellen en de bewindvoerder geen volmacht of toestemming heeft gegeven voor het indienen van het beroep, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraak van 4 december 2025 over dezelfde opposant, waarin al is overwogen dat het instellen van beroep zonder toestemming van de bewindvoerder niet kan leiden tot een inhoudelijke beoordeling. [1]
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22870.