Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28383
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 8 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onjuiste aanmelding als asielzoeker bij aanvraag op grond van Chavez-arrest

Eiser, van Zimbabwaanse nationaliteit, werd door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij een asielaanvraag zou doen. Eiser had echter aangegeven een aanvraag te willen doen op basis van het Chavez-arrest voor verblijf bij zijn kinderen, niet op asielgronden. De hoormedewerker had onvoldoende doorgevraagd, waardoor eiser ten onrechte als asielzoeker werd aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen, omdat de grondslag onjuist was. De minister heeft de bewaring later opgeheven en omgezet, maar de onrechtmatigheid blijft bestaan. Eiser vordert schadevergoeding voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en proceskosten.

De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €1.240,- voor tien dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €1.868,-. De uitspraak benadrukt het belang van correcte voorlichting en het doorvragen door hoormedewerkers bij het vaststellen van de aard van een verblijfsaanvraag.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister tot schadevergoeding en proceskosten wegens onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28383

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 23 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en omgezet naar een nieuwe maatregel.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Mw. Mariga heeft telefonisch als tolk opgetreden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Zimbabwaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De gronden onder 3i en 4e heeft de minister ter zitting laten vallen.
Verder heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
3. Eiser voert primair aan dat de toepassing van artikel 59b van de Vw als grondslag van de maatregel onjuist is. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel verklaard dat hij een aanvraag wil doen op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] voor verblijf bij zijn kinderen in Nederland. De minister heeft hem onjuist voorgelicht door te zeggen dat hij dat alleen kan doen via een asielaanvraag. Eiser heeft daarom een formulier ondertekend voor een asielaanvraag, maar in het gehoor was al duidelijk dat geen sprake was van aan asiel gerelateerde gronden. Subsidiair stelt eiser dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw niet aan de maatregel ten grondslag kan liggen. Eiser heeft alle zware en lichte gronden gemotiveerd betwist en ook dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de grondslag van de maatregel juist is. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij asiel wil aanvragen en heeft vervolgens ook het aanvraagformulier ondertekend.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser ten onrechte als asielzoeker is aangemerkt en dat de maatregel daarom niet kon worden gebaseerd op artikel 59b van de Vw. In het verslag van het gehoor staat – voor zover hier relevant – het volgende:

O: Betrokkene geeft aan dat hij nu meteen asiel op basis van Chavez wil aanvragen. Betrokkene wil in Nederland blijven vanwege zijn drie kinderen. De aanvraag hiertoe is getekend door betrokkene. Hij wordt na het gehoor opnieuw gezuild. Een eventuele bewaring zal dan een asielbewaring zijn.
(…)
V: Klopt het dat u tijdens verschillende vertrekgesprekken met de DTenV hebt aangegeven dat u absoluut niet terug wilt naar Zimbabwe?
A: Ja, dat klopt.
V: Waarom wilt u niet terug naar Zimbabwe?
A: Omdat ik vind dat je de rechten van mijn kinderen schaadt wanneer ze hun vader niet kunnen zien/spreken op hun moment.
(…)
V: Heeft u te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen de autoriteiten van uw land u niet beschermen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
A: Nee hoor. Ik weet alleen niet hoe ik me zal gedragen wanneer ik niet in de buurt van mijn kinderen ben.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande niet blijkt dat aan eiser is uitgelegd dat een asielaanvraag en een reguliere aanvraag op basis van het arrest Chavez-Vilchez twee verschillende dingen zijn. Nadat eiser had aangegeven dat hij ‘asiel op basis van Chavez’ wil aanvragen, heeft de minister hem een asielaanvraag laten ondertekenen. Het was echter in de eerste plaats de taak van de hoormedewerker om duidelijk te krijgen wat voor soort aanvraag eiser wilde doen en daarop door te vragen. Dit temeer nu er geen advocaat aanwezig was bij het gehoor. De rechtbank is van oordeel dat het voor de hoormedewerker op basis van de overige verklaringen in het gehoor in ieder geval duidelijk had moeten zijn dat eiser niets te vrezen heeft bij terugkeer en dat het hem alleen om verblijf bij zijn kinderen in Nederland gaat. De hoormedewerker had daarom kunnen begrijpen dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen. De minister heeft eiser dan ook ten onrechte aangemerkt als een asielzoeker. Wat eiser subsidiair heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.240,-.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, in de zaak H.C. Chavez-Vilchez e.a. tegen Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank e.a., ECLI:EU:C:2017:354.