ECLI:NL:RBDHA:2026:1470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25-8925
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:81 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 22.8 OmgevingswetArt. 2:87 APV Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor kap van 29 bomen in ecologische zone

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van 29 bomen in verband met de aanleg en inrichting van een nieuwe ecologische zone in de wijk Zichten te Den Haag.

Verzoekster betoogt dat de kap niet noodzakelijk is, dat de ecologische zone niet definitief is vastgesteld, dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven en dat de compensatie voor de kap ontbreekt. Het college stelt dat de bomen moeten wijken voor de verbreding van een watergang en de verschuiving van de ecologische zone, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de aanleiding en noodzaak van de kap adequaat heeft omschreven en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt. De bomen vertegenwoordigen slechts belevingswaarde en geen bijzondere natuur-, milieu- of educatieve waarde. De herplantplicht van minimaal 29 bomen is concreet geregeld. De gronden van verzoekster bieden geen aanleiding om te verwachten dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de omgevingsvergunning onverkort van kracht blijft en de kap van de bomen kan plaatsvinden voor het broedseizoen van 15 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van 29 bomen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8925

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. A.M. Buijs).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
gemeente Den Haag(vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 29 bomen ter hoogte van [straatnaam 1] tussen het sportcomplex en de te realiseren nieuwbouwwijk. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunninghoudster die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster als volgt af.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Wat verzoekster heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit (dan wel de rechtsgevolgen daarvan) in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 13 augustus 2025 de onder 1. vermelde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met het bestreden besluit van
15 december 2025 op het bezwaar van verzoekster is het college bij dit besluit gebleven. Dit besluit is op 19 december 2025 gerectificeerd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 25/8926) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het door verzoekster ingestelde beroep en verzoek om voorlopige voorziening zijn op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 19 december 2025.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , namens verzoekster en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
4. Uit het verweerschrift en hetgeen op zitting is besproken blijkt dat vergunninghoudster de bomen vóór het begin van het komende broedseizoen (vanaf 15 maart 2026) wil kappen. Wel wordt de uitspraak op dit verzoek afgewacht voordat de bomen worden gekapt. Gelet hierop heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.
Bestreden besluit
5. In de omgevingsvergunning van 13 augustus 2025, dat met het bestreden besluit is gehandhaafd, is overwogen dat de bomen vanwege de herinrichting van de openbare ruimte ten behoeve van de ecologische zone niet te handhaven zijn. Door de verschuiving van deze zone en de verbreding van de watergang richting het sportcomplex zouden de bomen midden in de nieuwe watergang komen te staan. Bij de aanvraag is een Bomen Effect Analyse (BEA) van Terra Nostra van 17 juni 2025 gevoegd waarin alle bomen in het plangebied zijn beoordeeld.
Daarnaast is overwogen dat de groenbeheerder in zijn advies van 10 juli 2025 na een bezoek ter plaatse heeft geconcludeerd dat de toekomstverwachting van de bomen varieert van goed tot slecht. De natuur-, educatieve- en milieuwaarden van de bomen zijn niet van bijzonder belang. De belevings- en gebruikswaarden zijn van groot belang, omdat de bomen zichtbaar zijn vanaf de openbare straat. Bij zijn advies heeft de groenbeheerder de aanvraagreden betrokken en geadviseerd de omgevingsvergunning te verlenen. Aangezien er voldoende ruimte is, wordt geadviseerd een herplantplicht op te leggen van minimaal 29 bomen.
De stadsecoloog gaat blijkens zijn advies van 7 augustus 2025 akkoord met het kappen van de bomen. De stadsecoloog constateert op basis van het rapport ‘Quickscan natuurbeschermingsrecht, Herinrichting Ecozone Zichten/Escamp I’, van 10 januari 2025, dat met het kappen van de bomen geen beschermde functies worden verstoord, mits de mitigerende maatregelen en de zorgplicht in acht worden genomen.
Verder heeft het college overwogen dat, gelet op het herinrichtingsplan, het belang van de aanvrager om de bomen te kappen zwaarder weegt dan de waarden die de bomen vertegenwoordigen.
Toetsingskader
6. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Ingevolge artikel 2:87, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV), zoals deze verordening ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, is het verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.
Ingevolge artikel 2:88, eerste lid, van de APV kan het bevoegd gezag de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:
- natuur-, educatieve en milieuwaarden;
- belevings- en gebruikswaarden.
Noodzaak van de kap
7. Verzoekster voert aan dat geen sprake is van herinrichting van de ecologische zone, maar dat deze zone verdwijnt omdat daarop zal worden gebouwd. Daarnaast kan de kap van de bomen volgens haar niet gemotiveerd worden vanuit de aanleg van een nieuwe ecologische zone, omdat daartoe nog niet definitief besloten is. Verder stelt verzoekster dat onvoldoende is onderzocht of het kappen van de bomen daadwerkelijk noodzakelijk is. Verzoekster stelt verder dat de breedte van de nieuwe ecologische zone niet aan het uitgangspunt voldoet dat deze een minimum breedte van 30 meter moet hebben, zoals geformuleerd in de Nota Stadsnatuur. De vereiste compensatie hiervoor ontbreekt. Tevens heeft verzoekster aangevoerd dat de gemeente zich meer zou moeten inspannen om alternatieven voor de waterberging te onderzoeken en om de bomen te behouden.
8. In de bij het bestreden besluit gehandhaafde omgevingsvergunning is als reden van de aanvraag vermeld dat in de wijk Zichten de komende jaren volop woningen worden gesloopt, gebouwd en gerenoveerd. Inmiddels zijn aan [straatnaam 2] en [straatnaam 3] al diverse woningblokken gesloopt en is gestart met de bouw van de blokken [bouwlocatie 1] en [bouwlocatie 2] . Ook wordt de buitenruimte in deze wijk na een gefaseerde oplevering opnieuw ingericht. Tussen de wijk en het sportcomplex [sportcomplex] wordt de ecologische zone verschoven en opnieuw ingericht. De herinrichting van de ecozone is aanleiding voor deze aanvraag. Door de verschuiving van deze zone en de verbreding van de watergang richting het sportcomplex komen 29 bomen in de nieuwe watergang te staan. Daarom moeten deze 29 bomen worden gekapt.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanleiding tot en noodzaak van de kap van 29 bomen aldus adequaat omschreven. De verplaatsing en inrichting van de ecologische zone, zoals door het college beschreven, is vastgelegd in het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. In paragraaf 3.4.1 van de toelichting van dat bestemmingsplan is, onder verwijzing naar het Projectdocument Dreven-Gaarden-Zichten van 8 februari 2022, vermeld dat in de huidige situatie de ecologische zone ter hoogte van de Zichten een breedte heeft variërend van 30-50 meter en daarmee een potentieel ontwikkelingsperspectief is voor dit deel van ecologische verbindingszone Groene Assen Zuidwestzone. De ecologische verbindingszones zijn onderdeel van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) en de begrenzing hiervan is bestuurlijk vastgelegd. Verder wordt vermeld dat met de huidige planvorming binnen de bestaande contouren van de SGH zal worden gebouwd en dat dit dus alleen mogelijk is, conform beleid, als daadwerkelijk een 30 meter brede zone wordt vrijgespeeld en ingericht als ecologische zone. Verder blijkt uit het bij de aanvraag gevoegde kaartje met als titel “Te kappen bomen volgens 6710 rapportage BEA” van 22 mei 2025 dat de te kappen bomen waarvoor vergunning is verleend zich bevinden aan de noordoost kant van de bestaande sloot, dus aan de zijde van het sportpark. Het is derhalve niet zo, zoals verzoekster lijkt te betogen, dat de bomen gekapt moeten worden omdat er ter plaatse wordt gebouwd. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de ligging van de nieuwe ecologische zone, zoals weergegeven op de tekening van het Voorontwerp Ecozone ‘Dreven Gaarden Zichten, – Sportparkkant’ van
4 maart 2025 (verder: Voorontwerp 4 maart 2025), overeenkomt met de begrenzing van de bestemmingen “Groen” en “Water” in het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Op de plek waar nu deze bomen staan is in genoemd bestemmingsplan ter plaatse van de nieuwe ecologische zone een watergang met de bestemming “Water” voorzien, zodat deze
29 bomen niet behouden kunnen blijven. De verdere aanleg van de nieuwe ecologische zone aan de kant van het sportpark, waarop de bestemming “Groen” rust, is mogelijk omdat de sportvelden inmiddels zijn gedraaid, waardoor ruimte is ontstaan voor de nieuwe ecologische zone.
10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de noodzaak van de kap voldoende duidelijk en afdoende onderbouwd. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet in het betoog dat sprake is van tegenstrijdige motieven. De voorzieningenrechter wijst er verder op dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”, waarin de nieuwe ecologische zone is vastgelegd, weliswaar nog niet onherroepelijk is - omdat daartegen onder meer door verzoekster beroep is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) -, maar ten tijde van het bestreden besluit wel reeds in werking was getreden. Het college mocht daar bij de verlening van de onderhavige omgevingsvergunning van uitgaan. De bezwaren van verzoekster tegen de begrenzing - en dus ook de breedte - van de nieuwe ecologische zone en tegen de gebrekkige compensatie kunnen in de bestemmingsplanprocedure bij de Afdeling naar voren worden gebracht en kunnen geen rol spelen binnen het toetsingskader in de APV voor de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen. Dat geldt ook voor het betoog dat de gemeente zich meer zou moeten inspannen om alternatieven voor de waterberging te onderzoeken om de bomen te behouden. Daarom kunnen deze gronden niet tot schorsing van het bestreden besluit leiden.
Verplanten van 2 bomen
11. Verzoekster stelt dat in de BEA van maart 2024 werd geadviseerd om tijdig te starten met verplanting van twee jonge bomen, te weten een eik (DH267) en een zwarte els (DH272). In de Memo Aanvraag Omgevingsvergunning staat nu dat deze bomen worden gekapt omdat verplanting niet tijdig is voorbereid, aldus verzoekster.
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat op pagina 3 van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 10 december 2025, dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, reeds is vermeld dat beide bomen toch kunnen worden verplant in plaats van deze te kappen. Hiermee is het college aan deze reeds in bezwaar naar voren gebrachte grond volledig tegemoet gekomen, zodat deze grond nu niet meer hoeft te worden besproken.
BEA en advies groenbeheerder
13. Verzoekster voert verder aan dat de kap van de bomen in de stukken onvoldoende is onderbouwd, aangezien de BEA’s die enerzijds bij het nieuwe bestemmingsplan en anderzijds bij de aanvraag voor deze omgevingsvergunning gevoegd zijn, te algemeen van aard zijn en geen gedetailleerde beoordeling bieden per deellocatie.
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de BEA van 17 juni 2025 alle bomen in het plangebied en ook onderhavige 29 bomen zijn beoordeeld en dat op de bij deze BEA gevoegde “Themakaart conditie” en “Themakaart levensverwachting” de beoordelingen van de conditie en levensverwachting per boom is aangegeven. Dit betekent dat deze aspecten ook van alle te kappen bomen in kaart zijn gebracht. Er is in deze BEA aan de hand van de conditie van de bomen bekeken of zij verplant kunnen worden, tevens is beoordeeld of de bomen behouden kunnen worden.
Vervolgens heeft ook de groenbeheerder blijkens zijn advies van 10 juli 2025 een beoordeling van deze aspecten per te kappen boom gemaakt na een bezoek ter plaatse. Uit dit advies blijkt dat alleen de belevings- en gebruikswaarden van de bomen van belang zijn, omdat de bomen zichtbaar zijn vanaf de openbare straat. Uit dat advies blijkt verder dat de bomen geen bijzondere natuur-, milieu- of educatieve waarde vertegenwoordigen
15. De voorzieningenrechter constateert verder dat verzoekster geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, zodat het college de inhoud van de BEA van 17 juni 2025 en het advies van de groenbeheer van 10 juli 2025 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
Belangenafweging
16. Aangezien de groenbeheerder heeft geconcludeerd dat de belevings- en gebruikswaarden van de bomen van belang zijn, doet zich een weigeringsgrond voor als bedoeld in artikel 2:88, eerste lid, van de APV. Gelet op artikel 2:88 van Pro de APV moet het college daarom een belangenafweging maken bij de beoordeling of de vergunning als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, van de APV wordt geweigerd of verleend.
Het college heeft zich naar voorlopig oordeel op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op het belang van de aanleg en inrichting van de nieuwe ecologische zone en het gegeven dat de te kappen bomen alleen belevingswaarde en geen bijzondere natuur-, milieu- of educatieve waarde vertegenwoordigen, het belang van de aanvrager om de bomen te kappen zwaarder weegt dan de waarden die de bomen vertegenwoordigen.
Herplantplan
17. Verzoekster voert ook aan dat geen plan voor het herplanten van bomen bij de omgevingsvergunning is gevoegd. Zij stelt dat het voorontwerp van 4 maart 2025 niet bij de stukken zit.
18. Vergunninghouder heeft in de aanvraag aangegeven dat 38 nieuwe bomen te willen planten. Daarbij is het voorontwerp ‘Dreven Gaarden Zichten, – Sportparkkant’ van
4 maart 2025 aangeleverd. Aan de omgevingsvergunning is op pagina 8 de verplichting verbonden voor de herplant van minimaal 29 bomen van een door de aanvrager te bepalen boomsoort met minimale stamomtrekken van 25–30 cm van de 1e of 2e grootte. De bomen dienen herplant te worden in het eerstvolgende plantseizoen (van november tot en met april), na het kappen van de bomen en na realisatie van het herinrichtingsplan. Het herplanten dient te worden uitgevoerd ter plaatse of in de directe omgeving van de te kappen bomen.
19. Er is naar voorlopig oordeel voldoende concreet aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de herplantplicht. Dat in de vergunning de eis is opgelegd dat slechts minimaal 29 bomen moeten worden herplant in plaats van 38, heeft het college op de zitting toegelicht. Met de herplant van tenminste 29 bomen wordt naar voorlopig oordeel tevens voldaan aan de gemeentelijke ambitie “5% meer blad voor de stad” in 2030, aangezien er
27 bomen worden gekapt en er 2 niet worden gekapt, maar verplant. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat op de tekening van voornoemd voorontwerp dat bij de aanvraag was gevoegd, die zich wel onder de gedingstukken bevindt, is aangegeven welke bomen worden herplant en op welke plekken. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit het voorontwerp is van het herinrichtingsplan van de ecologische zone waarnaar in het voorschrift over de herplantplicht in de omgevingsvergunning wordt verwezen en dat het definitief ontwerp daarvan op korte termijn zal worden vastgesteld en - naar ter zitting is verklaard - waarschijnlijk niet wezenlijk van het voorontwerp zal afwijken. Dat herplant overeenkomstig dit herinrichtingsplan niet met zoveel woorden als voorwaarde is gesteld, acht de voorzieningenrechter geen gebrek, nu de APV geen verplichting bevat herplant overeenkomstig een herplantplan als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden.
Overige gronden
20. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over het verslag van de hoorzitting in bezwaar en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften betreffen geen inhoudelijke gronden die verband houden met het toetsingskader van de APV. Deze gronden kunnen dan ook niet leiden tot schorsing van het bestreden besluit.
21. Verzoekster stelt verder dat de verlaging van de grondwaterspiegel, zoals geadviseerd in de BEA, niet is onderzocht.
Het college stelt zich op het standpunt dat de passage waarnaar verzoekster verwijst, niet van toepassing is op de bomen waarvoor de vergunning is verleend. De 29 bomen hoeven niet te worden gekapt ten behoeve van de bouw van ondergrondse parkeergarages. Bronbemaling is hier niet aan de orde.
22. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college. Deze verzoeksgrond heeft dan ook geen betrekking op de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen. Deze grond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

23. Wat verzoekster heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit (dan wel de rechtsgevolgen daarvan) in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter stel verder vast dat het college afdoende heeft onderbouwd dat de bomen voor de start van het broedseizoen omstreeks 15 maart 2026 moeten worden gekapt, zodat de nieuwe ecologische zone in de zomer kan worden aangelegd en herplanting kan plaatsvinden in de plantperiode tussen augustus en november 2026. Dit is van belang met het oog op de planning van de bouwwerkzaamheden omdat de huidige ecologische zone pas mag worden bebouwd als de nieuwe ecologische zone is aangelegd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Dat betekent dat van de verleende omgevingsvergunning gebruik mag worden gemaakt. Nu er mag worden gekapt mogen de 2 onder 11. genoemde bomen ook worden verplant. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.