ECLI:NL:RBDHA:2026:1471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
09/077175-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c SrArt. 36b SrArt. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling bedreiging met vuurwapen en wapenbezit

Op 11 maart 2025 vond een incident plaats in een winkelcentrum te Delft waarbij de verdachte een vuurwapen toonde en afvuurde richting twee vrouwen, moeder en dochter, die hij bedreigde. De rechtbank oordeelde dat de poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kon worden vanwege onvoldoende bewijs dat gericht op de slachtoffers werd geschoten.

Wel werd vastgesteld dat de verdachte de vrouwen bedreigde met een vuurwapen en dat hij twee vuurwapens in zijn bezit had, waarvan DNA-sporen van hem waren aangetroffen. De verdachte ontkende het bezit, maar zijn verklaring werd niet geloofd.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 22 maanden gevangenisstraf, oplegging van TBS met voorwaarden en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. De TBS werd dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de feiten.

De benadeelde partijen werden deels in hun schadevergoeding toegewezen, elk €1.500,- immateriële schade met wettelijke rente. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en de inbeslaggenomen vuurwapens werden onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank legde diverse voorwaarden op aan de TBS, waaronder locatie- en contactverboden, medicatiegebruik, en medewerking aan reclasseringstoezicht en behandeling. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden vanaf opname in een zorginstelling.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, TBS met voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel voor bedreiging met vuurwapen en wapenbezit.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/077175-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 op [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 juni 2025, 4 september 2025 en 13 november 2025 (pro forma) en 15 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Bakker, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.J. Berghout, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 september 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Inleiding
Op dinsdagmiddag 11 maart 2025 ontving de politie een melding over een schietincident in het winkelcentrum [winkelcentrum] in Delft. Politieagenten werd verzocht naar een flat nabij het winkelcentrum te rijden alwaar de verdachte van het schietincident zou wonen en waar hij na het incident naartoe zou zijn gegaan. In zijn woning is de verdachte aangehouden.
De verdachte wordt verweten dat hij zich die dag schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (moeder en dochter;hierna genoemd ‘de aangeefsters’) door met een vuurwapen richting hun hoofd en lichaam te schieten. Ook wordt hem verweten dat hij de aangeefsters en anderen heeft bedreigd door het vuurwapen te tonen en af te vuren. Tot slot wordt hem verweten dat hij twee vuurwapens voorhanden heeft gehad.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn als bijlage II bij dit vonnis gevoegd.
De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor dat feit of die feiten waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters
De raadsvrouw heeft in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide aangeefsters betwist, omdat deze volgens haar inconsistent zijn.
De rechtbank acht de verklaringen en de melding van de aangeefsters betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verklaringen van beide aangeefsters inderdaad inconsistenties bevatten. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de gehele verklaring van de aangeefsters onbetrouwbaar te achten. Het enkele feit dat verklaringen van getuigen op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, maakt die verklaringen op zichzelf namelijk nog niet onbetrouwbaar ten aanzien van de onderdelen die relevant zijn voor de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt. Inconsistenties kunnen te wijten zijn aan de emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd -en ook overigens -geen reden de verklaringen onbetrouwbaar te achten.
Vaststellingen door de rechtbank
Op grond van het procesdossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Zowel aangeefsters als de verdachte hebben verklaard dat zij elkaar op 11 maart 2025 in het winkelcentrum [winkelcentrum] in Delft tegenkwamen en dat een discussie ontstond. De verklaringen lopen uiteen of de verdachte daarbij een vuurwapen heeft getoond en of hij daarmee (gericht) op hen heeft geschoten. De verdachte heeft ontkend een vuurwapen bij zich te hebben gehad. Aangeefsters hebben verklaard dat de verdachte hen heeft bedreigd met een vuurwapen en meermaals op hen heeft geschoten, namelijk tijdens de woordenwisseling en nog een keer nadat zij de verdachte, die naar de uitgang van het winkelcentrum was gelopen, achterna waren gegaan.
-
De camerabeelden
In het winkelcentrum hingen camera’s die de confrontatie tussen de aangeefsters en de verdachte hebben vastgelegd. Op de camerabeelden is te zien dat tijdens de woordenwisseling de verdachte zijn hand uit zijn linker jaszak haalt en daarmee een slaande beweging maakt richting [aangeefster 1] . In zijn hand heeft de verdachte een voorwerp gelijkend op een vuurwapen. Hierna lopen de vrouwen op de verdachte af, terwijl de verdachte achteruit loopt. De verdachte staat met zijn linkerarm gestrekt, met een voorwerp in zijn handen gelijkend op een vuurwapen, gericht op het hoofd van [aangeefster 1] . Zij slaat zijn hand weg met haar rechterarm. Daarna richt de verdachte wederom zijn linkerhand met het voorwerp, lijkend op een vuurwapen, richting het gezicht van de twee vrouwen. De vrouwen bukken. De verdachte stopt daarna het voorwerp in zijn zak en loopt de hoek om richting de uitgang. De twee aangeefsters lopen vervolgens achter hem aan, op een afstand van ongeveer drie meter. De verdachte verdwijnt uit beeld en de twee aangeefsters staan dan vlak bij de uitgang. [aangeefster 2] maakt vervolgens een draaiende beweging, alsof ze zich afwendt van een situatie. Daarna geeft zij een schrikreactie weer. Ook een andere vrouw trekt op dat moment haar schouders op en brengt haar handen naar haar oren, alsof ze een hard geluid hoort.
-
Had de verdachte een vuurwapen?
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen de rechtbank hieronder bij de beoordeling van feit 3 zal bespreken, stelt de rechtbank vast dat de verdachte ten tijde van de confrontatie met de aangeefsters en nadat hij de richting de uitgang van het winkelcentrum is gelopen een vuurwapen in zijn hand heeft gehad.
-
Heeft de verdachte geschoten?
Naar aanleiding van het incident zijn meerdere getuigen door de politie gehoord. Door getuigen is verklaard dat de verdachte ten tijde van de woordenwisseling een vuurwapen in zijn hand had en dat richtte op aangeefsters. Geen van de getuigen heeft verklaard dat zij op dat moment schoten hebben gehoord. Nu de verklaringen van aangeefsters dat de verdachte toen al heeft geschoten onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op dat moment heeft geschoten.
Dit ligt anders voor wat betreft de vraag of de verdachte bij de uitgang van het winkelcentrum, dus nadat hij de hoek om is gelopen, met het vuurwapen heeft geschoten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaringen van aangeefsters en een andere getuige hierover elkaar op wezenlijke onderdelen ondersteunen. Bovendien is op camerabeelden te zien dat bij zowel aangeefster [aangeefster 2] als een omstander sprake is van een plotselinge schrikreactie op het moment dat de verdachte volgens de verklaringen zou hebben geschoten.
Beoordeling van de tenlastegelegde feiten
Vrijspraak poging tot doodslag (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van (één van de) aangeefsters. Uit de bewijsmiddelen kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte bij de uitgang van het winkelcentrum met een vuurwapen heeft geschoten, uit die bewijsmiddelen kan evenwel niet worden afgeleid dat de verdachte daarbij gericht op (één van) de aangeefsters heeft geschoten. Nu de details van dit schieten – met name of er gericht op het hoofd en/of lichaam van aangeefsters is geschoten, waar de verdachte precies stond ten tijde van het afdrukken, op welke afstand dit was ten opzichte van aangeefsters en hoe dit zich verhoudt tot de schotbaan – niet blijken kan de rechtbank evenmin vaststellen hoe waarschijnlijk het is geweest dat aangeefsters door een kogel zouden kunnen worden geraakt, laat staan dat die kans aanmerkelijk is geweest dat zij hierbij zouden komen te overlijden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het eerste ten laste gelegde feit – poging tot doodslag op [aangeefster 2] en [aangeefster 1] - niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bedreiging met een levensdelict (feit 2)
Hiervoor is reeds vast komen te staan dat de verdachte een vuurwapen uit zijn jaszak heeft gehaald en dat hij dat meermaals – van nabij – heeft gericht op het hoofd dan wel het lichaam van aangeefsters. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Het tonen van een vuurwapen en dat vervolgens richten op een persoon zijn handelingen die in het algemeen naar hun aard al geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke integriteit en veiligheid teweeg te brengen. De verdachte heeft dit gedaan in een openbare ruimte. Daarbij heeft de verdachte het vuurwapen bij de uitgang van het winkelcentrum daadwerkelijk nog afgevuurd.
De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de bedreiging van andere aanwezige personen, waaronder [getuige] . Getuige [getuige] stond weliswaar in de nabijheid toen de verdachte het wapen richtte op aangeefsters, niet kan worden vastgesteld in hoeverre de verdachte heeft gezien of moeten kunnen zien dat het wapen ook aan die [getuige] is getoond en/of was gericht. Eveneens is dit niet voor andere aanwezigen vast komen te staan.
Het voorhanden hebben van twee vuurwapens (feit 3)
Aangeefster [aangeefster 2] heeft in haar gesprek met de meldkamer verklaard dat de verdachte na het verlaten van het winkelcentrum naar de flat zou zijn gerend en aldaar via de gemeenschappelijke ingang naar binnen zou zijn gegaan om naar de kelderboxen te gaan. Enige tijd later heeft een verbalisant onderzoek gedaan in de gang naar de kelderboxen behorend bij deze flat, waar de verdachte woonde. Op een plank boven de leidingen trof de verbalisant twee vuurwapens aan.
Beide vuurwapens zijn bemonsterd. Uit deze bemonsteringen is een DNA-mengprofiel verkregen, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-mengprofiel. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van celmateriaal op de vuurwapens.
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij deze vuurwapens op een eerder moment in handen heeft gehad toen twee personen hem deze wapens toonden, omdat zij deze aan hem wilden verkopen, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. De verdachte heeft de namen van deze personen niet willen noemen, zodat zijn verklaring niet kan worden getoetst. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste scenario niet geloofwaardig en stelt het terzijde. Daarbij betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat de verdachte deze verklaring pas heeft afgelegd bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak, dus nadat het opsporingsonderzoek was afgerond en het dossier gereed was, hetgeen hem de mogelijkheid heeft gegeven om zijn verklaring af te stemmen op de onderzoeksbevindingen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte de vuurwapens bewust aanwezig heeft gehad en dat hij ook over die wapens heeft kunnen beschikken. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde dus wettig en overtuigend bewezen.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
2
hij op 11 maart 2025 te Delft, [aangeefster 2]
en[aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door in de openbare ruimte een vuurwapen te tonen en vervolgens deze af te vuren;
3
hij, op
of11 maart 2025 te Delft, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een vernauwd gaspistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7.65, en
- een omgebouwd alarm revolver, van het merk Bruni SLR, type Olympic 38, kaliber
.22 LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver of pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: gvm) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – indien het tot een bewezenverklaring zou komen - de rechtbank verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De raadsvrouw heeft voorts naar voren gebracht dat de verdachte zich kan vinden in oplegging van tbs met voorwaarden en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van het locatieverbod voor de stad Delft. Zij heeft de rechtbank verzocht deze laatste voorwaarde niet aan de verdachte op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten, waarbij gevaar voor ernstig letsel aanwezig was en waardoor de verdachte heeft laten zien weinig respect te hebben voor (de veiligheid van) anderen. De verdachte heeft in het openbaar en op klaarlichte dag een vuurwapen getoond en afgevuurd, in een overdekte winkelgalerij waar op dat moment veel winkelend publiek aanwezig was, waaronder kinderen. Dat er geen slachtoffers zijn gevallen is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is toe te schrijven. De twee aangeefsters hebben verklaard psychische klachten te ondervinden door het handelen van de verdachte. De rechtbank neemt het de verdachte verder kwalijk dat hij twee vuurwapens voorhanden heeft gehad. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2025.
Hieruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, onder meer vanwege vuurwapenbezit en mishandeling.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 19 augustus 2025 waaruit volgt dat sprake is van een hoog recidiverisico.
De reclassering heeft geadviseerd om een tbs met voorwaarden op te leggen en heeft in haar advies de bijzondere voorwaarden genoemd die daarbij volgens de reclassering moeten worden opgelegd. De reclasseringsmedewerker heeft op de terechtzitting gepersisteerd bij het uitgebrachte advies. Daarbij is aangegeven dat er bij de FPK [kliniek] een intakegesprek heeft plaatsgevonden met de verdachte en hij daar is geaccepteerd.
De reclassering heeft voorts geadviseerd om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren gelet op de omstandigheid dat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 19 juli 2025 en 24 juli 2025, opgesteld door respectievelijk [naam 1] , psychiater, en drs. [naam 2] , GZ-psycholoog. De psychiater [naam 1] heeft geconcludeerd dat sprake is van zwakbegaafdheid, een posttraumatische stress-stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Er is echter geen advies mogelijk rondom de mate waarin het ten laste gelegde kan worden toegerekend. De psycholoog [naam 2] heeft eveneens geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een stoornis in cannabisgebruik en een posttraumatische stress-stoornis. Hij concludeert dat deze psychische stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde. Het is niet mogelijk uitspraken te doen over de mate van toerekenen.
Toerekeningsvatbaarheid
De psychiater en de psycholoog hebben geen uitspraken kunnen doen over een (verminderde) toerekenbaarheid van de verdachte. De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de psychiater en de psycholoog en neemt deze over. De rechtbank ziet ook overigens onvoldoende aanwijzingen om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de feiten volledig moeten worden toegerekend.
TBS met voorwaarden
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de door de reclassering geadviseerde tbs met voorwaarden is voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de door de verdachte begane feiten een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Op grond van hetgeen hiervoor door de reclassering is overwogen met betrekking tot het risico op recidive, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist dat aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door beide deskundigen gestelde diagnoses reden tot zorg zijn. Behandeling is naar het oordeel van de rechtbank dan ook noodzakelijk. Indien de verdachte de voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel zou overtreden, zou de behandeling wegvallen. Dat scenario moet worden voorkomen. Door een tbs met voorwaarden op te leggen wordt de verdachte als hij de voorwaarden overtreedt nog steeds behandeld, maar dan in een dwingender kader.
Het advies van de reclassering om de verdachte een locatieverbod op te leggen voor de stad Delft, acht de rechtbank te ruim geformuleerd en bovendien onnodig. Zij acht een locatieverbod voor de adressen [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] voldoende.
De rechtbank neemt voor het overige de voorwaarden over die de reclassering in haar advies van 19 augustus 2025 heeft opgenomen en die hierna onder het kopje ‘De beslissing’ worden opgesomd. De verdachte heeft op de terechtzitting zich bereid en gemotiveerd verklaard tot naleven van de voorwaarden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de ernst van het feit en de daaruit voortvloeiende noodzaak van behandeling van de verdachte, alsmede het gevaar voor recidive, zal de rechtbank op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De op te leggen straf
Naast de tbs-maatregel zal de rechtbank de verdachte ook een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en bij hetgeen in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank komt, mede gelet op de (partiële) vrijspraken, tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Vanwege de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf van 22 maanden passend en geboden. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Ter bescherming van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen zal de rechtbank verder een gvm opleggen. Aan de wettelijke vereisten daarvoor is voldaan. De verdachte wordt immers veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf, dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en waar meer dan vier jaren gevangenisstraf op staat. Gelet op de problematiek waarmee hij kampt, is de kans aanwezig dat het risico op recidive na afloop van de opgelegde tbs met voorwaarden nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een noodzaak bestaat om de verdachte langdurig onder toezicht te stellen teneinde de kans op herhaling van delicten te minimaliseren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen vanaf het moment dat de verdachte klinisch is opgenomen in een zorginstelling en aan de schorsing dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs-maatregel. De schorsing van de voorlopige hechtenis en de daaraan te verbinden voorwaarden houden verband met de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier wordt de algemene veiligheid van personen gewaarborgd.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1] en [aangeefster 2] hebben zich beiden als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen beiden een schadevergoeding van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Verder vorderen beiden – vooruitlopend op een eventueel hoger beroep – een schadevergoeding van € 100.000,- (eveneens bestaand uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij hebben zij verzocht tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de beide vorderingen geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de vorderingen in hun geheel af te wijzen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor zover het betreft de vorderingen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] voor een bedrag van € 100.000,- aan immateriële schade, ingediend vooruitlopend op een eventueel hoger beroep, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen, aangezien deze door hen niet is onderbouwd.
Voor de overige vorderingen geldt het volgende. Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek geeft recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade in geval van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De aard en de ernst van de normschending kan echter meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat [aangeefster 1] en [aangeefster 2] rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder feit 2 bewezenverklaarde feit. De aard en de ernst van de normschending van dit feit zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor hen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. Gelet op wat namens de benadeelde partijen als toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,- voor iedere benadeelde partij. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin voor een bedreiging van een bandbreedte tot een bedrag van € 1.500,- wordt uitgegaan.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de vorderingen van de genoemde benadeelde partijen toewijzen tot bovenvermeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten vanaf 11 maart 2025.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 van de dagvaarding genoemde bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hen zijn toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte telkens de verplichting opleggen om de bedragen aan de Staat te betalen. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met acht dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8 De inbeslaggenomen voorwerpen
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de onder 1 en 2 genoemde vuurwapens op de beslaglijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de onder de verdachte inbeslaggenomen en op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 14 c, 36b, 36f, 38, 38a, 38v, 38z, 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 22 (twee-en-twintig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
- Geen strafbaar feit plegen
[verdachte] maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- Meewerken aan reclasseringstoezicht
De veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• [verdachte] meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• [verdachte] laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van [verdachte] vast te stellen.
• [verdachte] houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om [verdachte] te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• [verdachte] helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• [verdachte] werkt mee aan huisbezoeken.
• [verdachte] geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• [verdachte] vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• [verdachte] werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met [verdachte] , als dat van belang is voor het toezicht.
- Meewerken aan een time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en [verdachte] daarmee instemt, kan [verdachte] voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of [verdachte] deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
- Niet naar het buitenland
[verdachte] gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
- Opname in een zorginstelling
[verdachte] laat zich opnemen bij [kliniek] van GGZ WNB, of een soortgelijke forensisch psychiatrische instelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start bij aanvang van de maatregel. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt [verdachte] mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- Ambulante behandeling
[verdachte] laat zich behandelen door een in de toekomst te bepaling instelling of zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
[verdachte] verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem/haar heeft opgesteld.
- Drugsverbod
[verdachte] gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd.
- Alcoholverbod
[verdachte] gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd.
- Contactverbod
[verdachte] heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [aangeefster 2] en [aangeefster 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
- Locatieverbod
[verdachte] bevindt zich niet binnen een straal van 100 meter vanaf het adres [adres 1] in [plaats 2] en niet binnen een straal van 100 meter vanaf het adres [adres 2] te [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
- Dagbesteding
[verdachte] spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Meewerken aan schuldhulpverlening
[verdachte] werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van
afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. [verdachte] geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- Meewerken aan middelencontrole
[verdachte] werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
legt aan [verdachte] op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Ten aanzien van feit 2, de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 1.500,- en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;
bepaalt dat, als de veroordeelde niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de veroordeelde niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat ten aanzien van de benadeelde partij in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
Ten aanzien van feit 2, de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 1.500,- en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;
bepaalt dat, als de veroordeelde niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de veroordeelde niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat ten aanzien van de benadeelde partij in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
Voorlopige hechtenis
schorst het bevel tot voorlopige hechtenis vanaf het moment dat de veroordeelde klinisch is opgenomen in een zorginstelling en stelt daarbij de hierboven in dit dictum genoemde voorwaarden en de voorwaarden dat:
- de veroordeelde, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
- de veroordeelde, in geval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
de inbeslaggenomen goederen
verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten: een revolver (Omschrijving: PL1500-2025078451-3293537) en een pistool (Omschrijving: PL1500-2025078451-3293535)
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.K.M. Hanssen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 11 maart 2025 te Delft, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] opzettelijk van het leven te beroven
met een vuurwapen meerdere malen althans eenmaal in de richting van het hoofd en/of lichaam
van genoemde [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] heeft geschoten
terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;
2
hij, op of omstreeks 11 maart 2025 te Delft,
[aangeefster 2] , [aangeefster 1] en/of een of meerdere andere aanwezige personen,
waaronder [getuige] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door in de openbare ruimte een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen
gelijkend wapen te tonen en (vervolgens) deze meermaals af te vuren;
3
hij, op of omstreeks 11 maart 2025 te Delft,
(een) wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten:
- een vernauwd gaspistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7.65, en/of
- een omgebouwd alarm revolver, van het merk Bruni SLR, type Olympic 38, kaliber
.22 LR,
zijnde (telkens) een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.