Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14730

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55 EGArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen besluit niet-toepassing Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïense vreemdeling

Verzoeker, een Oekraïense vreemdeling, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin is vastgesteld dat hij niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, omdat hij vóór 27 november 2021 Oekraïne heeft verlaten en geen intentie had zich opnieuw duurzaam te vestigen in Oekraïne.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld. Verweerder heeft niet inhoudelijk gereageerd op het verzoek, ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank om te reageren.

Gezien het ontbreken van verzet van verweerder wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en schorst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker ad € 934,-.

Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit dat verzoeker niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, worden geschorst totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.25730
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Oekraïense nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 mei 2026 heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker niet valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: de Richtlijn) [1] . Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat verzoeker niet valt onder de Richtlijn, omdat hij niet door de oorlog ontheemd is geraakt. Verzoeker is namelijk vóór 27 november 2021 uit Oekraïne vertrokken en heeft daarna niet de intentie gehad om zich opnieuw duurzaam te vestigen in Oekraïne.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek zo dat het verzoek ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst zolang nog niet op het bezwaar is beslist.
1.3.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft gevraagd te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van het griffierecht. Gelet op de onderbouwing daarvoor ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verzoeker wordt vrijgesteld van het griffierecht.
3. Op 12 mei 2026 heeft de rechtbank geprobeerd verweerder telefonisch te bereiken met het verzoek om op het verzoekschrift te reageren. Toen dit niet lukte is verweerder op dezelfde dag via e-mail verzocht om te reageren op het verzoekschrift, uiterlijk op 22 mei 2026. Verweerder heeft in reactie daarop, ook op 12 mei 2026, per e-mail laten weten te proberen het verzoek uit te zullen zetten. De rechtbank heeft op diezelfde dag ook door middel van een bericht in het online dossier verweerder verzocht om uiterlijk 22 mei 2026 op het verzoekschrift te reageren.
4. Nu verweerder niet inhoudelijk heeft gereageerd op het verzoek tot reactie op het verzoekschrift, en de rechtbank ook anderszins niets meer heeft vernomen van verweerder met betrekking tot deze procedure, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening inhoudende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst, in elk geval totdat op het bezwaar is beslist.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding van zijn proceskosten bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst totdat is beslist op het bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55 EG.
2.Algemene wet bestuursrecht.