ECLI:NL:RBDHA:2026:14741
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsdocument EU/EER
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke op 13 januari 2026 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Bij een bestreden besluit van 15 april 2026 bleef de minister bij deze afwijzing. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft de minister tweemaal verzocht te reageren op het verzoek om voorlopige voorziening, maar de minister heeft niet gereageerd. Op grond hiervan en gelet op de belangen van verzoeker, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen zonder zitting.
De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker wordt behandeld alsof hij beschikt over rechtmatig verblijf in Nederland en het recht om te werken behoudt, totdat op het beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de rechtsgevolgen van het afwijzingsbesluit worden geschorst en verzoeker wordt behandeld als rechtmatig verblijvend tot beslissing op het beroep.