Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14750

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28194 en NL26.28195 en NL26.28201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a VwArt. 64 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod afgewezen wegens termijnoverschrijding en gegrondheid

Eiser kreeg op 11 maart 2026 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Pas op 19 mei 2026 werd beroep ingesteld, wat de rechtbank te laat achtte en niet verschoonbaar vond. Eiser stelde dat hij het besluit niet goed had begrepen vanwege beperkingen, maar de rechtbank vond uit het proces-verbaal dat hij de strekking wel degelijk begreep.

Daarnaast legde verweerder op 1 mei 2026 een inreisverbod van twee jaar op omdat eiser niet aan de vertrekplicht had voldaan. Eiser voerde medische omstandigheden aan en stelde dat het inreisverbod onevenredig was, maar de rechtbank vond de motivering en feiten voldoende en zag geen reden om het inreisverbod te matigen of af te zien.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28194, NL26.28195 en NL26.28201
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Op 19 mei 2026 is namens eiser een beroepschrift (NL26.28201) tegen dit besluit ingediend.
Bij besluit van 1 mei 2026 heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 mei 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen het inreisverbod (NL26.28194) en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.28195).
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.V. Blom-Apreleva. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over het beroep tegen het terugkeerbesluit (NL26.28201)
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit niet op de voorgeschreven wijze aan hem bekend is gemaakt. Volgens eiser is daarom de beroepstermijn niet op rechtsgeldige wijze aangevangen. Verder geldt dat eiser wegens zijn beperkingen niet in staat is geweest tijdig kennis te nemen van de inhoud en strekking van het besluit. Een eventuele termijnoverschrijding kan hem onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet worden tegengeworpen, aldus eiser.
2. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Uit het proces-verbaal (pv) van het vooraf aan het opleggen van het terugkeerbesluit gehouden gehoor kan niet worden afgeleid dat eiser niet goed heeft begrepen waar het om ging. Ook is er geen sprake van onsamenhangende antwoorden of uitingen die aannemelijk maken dat eiser over onvoldoende vermogen beschikte om de gang van zaken goed te kunnen volgen. De rechtbank wijst in dit verband met name op de passage waarin eiser verklaart dat hij Nederland binnen de vertrektermijn van vier weken zal verlaten.
3. De rechtbank stelt verder vast dat in het terugkeerbesluit staat vermeld dat een afschrift van het besluit onmiddellijk aan eiser is uitgereikt. De enkele stelling dat dit niet is gebeurd biedt onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan wat in het besluit is vermeld.
4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op 11 maart 2026 een rechtsgeldig terugkeerbesluit tot stand is gekomen en aan eiser bekend is gemaakt. Dit betekent dat eiser binnen vier weken na 11 maart 2026 beroep tegen het terugkeerbesluit had moeten indienen. Namens eiser is echter pas op 19 mei 2026 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep te laat ingediend en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
5. De rechtbank verklaart het beroep met nummer NL26.28201 niet-ontvankelijk.
Over het beroep tegen het inreisverbod
6. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van Pro de Vw niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten.
7. Zoals hiervoor is geoordeeld is aan eiser op 11 maart 2026 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Niet is in geschil dat eiser niet aan de in het terugkeerbesluit vastgelegde vertrekplicht heeft voldaan. Verweerder was daarom gehouden om aan eiser een inreisverbod op te leggen.
8. Voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod is eiser gehoord. Desgevraagd heeft hij verklaard geen familie in Nederland of Europa te hebben en dat hij niet heeft te vrezen voor terugkeer naar zijn land van herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten dan ook voldoende om duidelijk te maken waarom geen aanleiding is gezien van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. De verklaringen van eiser geven evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten.
9. De door eiser aangevoerde medische omstandigheden, te weten dat zijn bloed dik is en zijn kleur verandert, geven ook geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van het inreisverbod onevenredig bezwarend moet worden geacht. Zonder nadere onderbouwing valt ook niet in te zien in hoeverre eisers medische situatie hier en nu relevant is in verhouding tot een inreisverbod dat pas van kracht wordt na een mogelijk vertrek.
10. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het inreisverbod (NL26.28194) ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep NL26.28201 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep NL26.28194 ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.28195) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraken in de beroepen kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.