ECLI:NL:RBDHA:2026:14757

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/09/700771 / FA RK 26-2187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 WvggzArt. 3:3 sub c WvggzArt. 3:3 sub d Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens gebrek aan doelmatigheid van verplichte zorg

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van het Openbaar Ministerie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Het verzoek werd ingediend met diverse medische verklaringen, zorgplannen en standpunten van betrokken partijen.

Tijdens de procedure werd het dossier aanvankelijk als onvolledig beoordeeld, waarna aanvullende medische verklaringen en zorgplannen werden aangeleverd. Betrokkene en haar advocaat stelden dat verplichte zorg niet doelmatig is en verzochten om afwijzing. Tevens werd een wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend, dat werd afgewezen.

Het Openbaar Ministerie handhaafde het verzoek tot zorgmachtiging, stellende dat aan de wettelijke criteria was voldaan. De zorginstelling benadrukte het belang van verplichte zorg om het langdurige ontwrichtende beloop van betrokkene te stabiliseren, hoewel betrokkene sinds november 2025 geen contact meer had met de zorgaanbieder.

De rechtbank oordeelde dat het verlenen van verplichte zorg niet evenredig en effectief is, mede omdat eerdere zorgmachtigingen en crisisopnames niet tot duurzame stabilisatie of behandelrelatie hebben geleid. De rechtbank wees het verzoek daarom af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot zorgmachtiging af wegens het ontbreken van doelmatigheid en effectiviteit van verplichte zorg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/700771 / FA RK 26-2187
Datum beschikking: 13 april 2026

Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , [land] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling] te [plaats] ,
advocaat: mr. B.F. van Es te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 05 maart 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 3 maart 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een niet-ingevulde zorgkaart;
- een zorgplan van 17 februari 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 4 maart 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
Daarbij heeft de rechtbank de volgende aanvullende stukken ontvangen:
- een op 19 maart 2026 ondertekende aanvullende medische verklaring van [naam 2] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een aanvullend zorgplan van 19 maart 2026;
- een eigen plan van aanpak van 16 oktober 2025;
- een signalering interventie plan van 17 september 2025;
-een herstelplan van 21 augustus 2025;
- een schriftelijk standpunt van betrokkene en haar advocaat van 6 april 2026;
- een schriftelijk standpunt van [zorginstelling] van 10 april 2026;
- een schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft aanvankelijk gelijktijdig plaatsgevonden met de aanvraag voor een zorgmachtiging d.d. 9 december 2025 (zaaknummer 695844) op 19 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake was van een onvolledig dossier. Beide verzoeken zijn aangehouden in afwachting van een aanvullende medische verklaring, een actueel zorgplan en overige aanvullende stukken vanuit de advocaat.
Van de zitting van 19 maart 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 24 maart 2026 is de mondelinge behandeling van onderhevig verzoek en de aanvraag voor een zorgmachtiging d.d. 9 december 2025 (zaaknummer 695844) voortgezet. Zeer kort voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene via haar advocaat laten weten deze te hebben ontslagen in de procedures betreffende de zorgmachtiging.
Tijdens de zitting heeft betrokkene de rechter gewraakt in onderhavig verzoek.
Conform het wrakingsprotocol is de behandeling van het verzoek geschorst.
Van de zitting van 24 maart 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 1 april 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van 24 maart 2026 afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Daarbij heeft de wrakingskamer bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.
Aangezien de rechtbank op 26 maart 2026 het verzoek tot een zorgmachtiging d.d. 9 december 2025 (zaaknummer 695844) heeft afgewezen, heeft zij de partijen in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk standpunt naar voren te brengen.
Betrokkene en haar advocaat, [zorginstelling] en het Openbaar Ministerie hebben ingestemd met een schriftelijke afdoening van het verzoek en hun standpunten naar voren gebracht.

Standpunten partijen

Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft in zijn schriftelijke standpunt van 3 april 2026 naar voren gebracht onderhavig verzoek te handhaven. De officier van justitie was bij indiening van het verzoek van oordeel dat er is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en de uitgangpunten van de Wvggz. Derhalve dient er in de visie van het Openbaar Ministerie verplichte zorg te worden ingezet middels een zorgmachtiging.
Standpunt van betrokkene
Betrokkene en haar advocaat stellen in het schriftelijke standpunt van 6 april 2026 dat de inzet van verplichte zorg niet doelmatig is. Het verzoek dient om deze reden te worden afgewezen. De rechtbank heeft in haar beslissing van 26 maart 2026 vastgesteld dat er niet is voldaan aan het doelmatigheidsvereiste. In lijn met de eerdere uitspraak van de rechtbank, zal het verzoek moeten worden afgewezen.
Standpunt van [zorginstelling]
stelt in het schriftelijke standpunt van 10 april 2026 dat de zorgmachtiging is aangevraagd met als doel om het toestandsbeeld van betrokkene langere tijd te kunnen stabiliseren. In de afgelopen jaren is er sprake van een terugkerend patroon waarbij betrokkene veelvuldig is ontregeld. Tot op heden is het niet gelukt om de klinische verbeteringen in de ambulante fase duurzaam vast te houden. Sinds eind november 2025 is er geen contact meer mogelijk tussen de zorgaanbieder en betrokkene.
[zorginstelling] stelt dat een behandeling met een depot een passende optie kan zijn, maar dit brengt ingrijpende aspecten met zich mee. In overleg met betrokkene zullen de mogelijkheden worden besproken. In het verleden heeft zij stabieler gefunctioneerd op een depot. Bij afgifte van de zorgmachtiging zal er primair worden ingezet op contactherstel en ambulante behandeling. Indien noodzakelijk kan de zorg middels de zorgmachtiging worden opgeschaald.
Zonder behandeling zal het patroon van decompensatie zich voortzetten, met het ernstig nadeel tot gevolg. Eerdere inzet van verplichte zorg heeft doen blijken dat behandeling effect kan hebben. Indien betrokkene veelvuldig zal worden opgenomen met crisismaatregelen, zal dit geen duurzame oplossing bieden.
Gelet op het langdurige en ontwrichtende beloop ziet [zorginstelling] het belang van de inzet van verplichte zorg om tot een passende en duurzame behandeling te komen.

BeoordelingIngevolge artikel 3:3 sub c en Pro d Wvggz kan verplichte zorg alleen worden verleend als uiterste middel, waarbij onder meer als eis wordt gesteld dat het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. Ondanks dat betrokkene in het afgelopen jaar meermaals is opgenomen met een crisismaatregel, is de rechtbank thans van oordeel dat het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene niet evenredig en effectief is. Uit de stukken is gebleken dat de zorginstelling tijdens de duur van de zorgmachtiging in 2025 geen of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot inzet van verplichte zorg. Ook is gebleken dat de aanwezigheid van een zorgmachtiging niet bij heeft bijgedragen aan de beoogde stabilisatie van het toestandsbeeld of het tot stand komen van een behandelrelatie. Betrokkene is niet tijdens de recente klinische opname ingesteld op een depot, terwijl er evenmin tijdens de eerdere zorgmachtiging toezicht is geweest op het innemen van de orale medicatie door betrokkene. Het eerdere beeld van korte opnames met daarbij enkele dagen klinische toediening van medicatie middels injectie onder dwang is ook in 2025 aan de orde geweest, de afgifte van de zorgmachtiging heeft daarin geen wezenlijk verschil gebracht.

Gelet op voorgaande heeft de rechtbank redelijkerwijs niet de verwachting dat het verlenen van verplichte zorg momenteel effectief zal kunnen zijn. Hierdoor is niet voldaan aan de wettelijke criteria. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 juni 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.