ECLI:NL:RBDHA:2026:14773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring na strafdetentie

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser verbleef van 11 tot 16 mei 2026 in strafdetentie, waarna de maatregel van bewaring werd opgelegd. Eiser stelde dat de overheid onvoldoende voortvarend had gehandeld tijdens zijn strafdetentie en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat de strafdetentie van korte duur was en dat van de overheid niet kon worden verwacht dat zij tijdens deze periode uitzettingshandelingen zou verrichten. De eerste uitzettingshandeling vond plaats vijf dagen na de strafdetentie, wat als voldoende voortvarend wordt beschouwd. Daarnaast is de motivering van de overheid om geen lichter middel toe te passen voldoende, mede gelet op het feit dat eiser niet in Nederland mocht verblijven en al ruimschoots gelegenheid had gehad om het land te verlaten.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27596

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 16 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 28 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 29 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder wist op 11 mei 2026 dat eiser een onherroepelijke gevangenisstraf van een week moest uitzitten. Verweerder heeft tijdens strafdetentie een inspanningsverplichting om de daaropvolgende vreemdelingendetentie zo kort mogelijk te laten duren. Verweerder heeft tijdens de strafdetentie echter geen enkele uitzettingshandeling verricht en dat is onrechtmatig. Verweerder heeft daarom onvoldoende voortvarend gehandeld. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast. Daarbij is van belang dat eiser op het punt stond om Nederland vrijwillig te verlaten om pas terug te keren als hij zicht had op werk.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Eiser heeft van 11 mei 2026 tot en met 16 mei 2026 in strafdetentie verbleven. Op 16 mei 2026 heeft verweerder de bestreden vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en op 21 mei 2026 is een vlucht aangevraagd. Dat was de eerste uitzettingshandeling.
6. De rechtbank is het met verweerder eens dat de duur van eisers strafdetentie zo kort was dat van hem niet kon worden verwacht uitzettingshandelingen tijdens deze periode te verrichten. Dat verweerder dat niet heeft gedaan, betekent dan ook niet dat verweerder niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Dat betekent echter niet dat de periode dat eiser in strafdetentie heeft gezeten van geen betekenis is. Maar door op de vijfde dag na de op de strafdetentie gevolgde inbewaringstelling een vlucht te boeken, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder in eisers vetrekwens geen aanleiding heeft hoeven zien voor het opleggen van een lichter middel. Daarbij heeft verweerder op goede gronden meegewogen dat eiser niet in Nederland mocht zijn en al ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om Nederland te verlaten. Met deze motivering heeft verweerder ook eisers persoonlijke omstandigheden kenbaar bij de beoordeling betrokken.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.