ECLI:NL:RBDHA:2026:14775

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenwet ongegrond verklaard

Bij besluit van 14 mei 2026 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De zaak werd schriftelijk behandeld waarbij eiser zich refereerde aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat de maatregel in het kader van het grensbewakingsbelang is opgelegd en dat bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken, niet aanwezig zijn. Verweerder had onderzocht of er een significant risico op onderduiken bestond vanwege Dublinindicaties en concludeerde dat dit risico aanwezig was.

De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de vrijheidsontnemende maatregel niet werd opgeheven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. Eiser heeft op 27 mei 2026 aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Verweerder heeft hier op 27 mei 2026 op gereageerd. Op 29 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Omdat er sprake is van Dublinindicaties heeft verweerder – alvorens de maatregel van grensdetentie op te leggen - moeten onderzoeken of een significant risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft dit gedaan en het risico gebaseerd op de zware grond dat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en de lichte gronden dat eiser:
4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank overweegt als volgt
6. Eiser heeft gesteld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de ambtshalve door de rechtbank te beoordelen vragen, is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.
7. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.